Verruiming melden en onderzoeken van calamiteiten?
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) zijn zorgverleners verplicht om een calamiteit te melden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Maar wanneer is daar nu precies sprake van?
De Wkkgz omschrijft een calamiteit als een onverwachte of niet-beoogde gebeurtenis die samenhangt met de kwaliteit van de zorg én die heeft geleid tot overlijden of ernstige schade. Met andere woorden: er moet iets mis zijn gegaan in de zorg, en dat moet ernstige gevolgen hebben gehad.
Daarnaast staat de complicatie. Dat is een onbedoelde of ongewenste uitkomst van een behandeling, terwijl de zorg op zichzelf zorgvuldig en volgens de professionele standaard is uitgevoerd. Een complicatie kan ernstig zijn – zelfs fataal – zonder dat er sprake is van een fout.
Kort gezegd: geen fout in de zorg betekent in beginsel geen calamiteit en dus geen meldplicht.
Bevestiging Regionaal Tuchtcollege
Het Regionaal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg (RTC) bevestigt bovenstaand juridisch kader over het melden van een calamiteit in haar uitspraak van 4 maart 2025.
Tegen de huisarts werd een tuchtklacht ingediend door de echtgenoot van een van zijn patiënten. Deze 37-jarige patiënt was onverwacht overleden aan de gevolgen van een aortadissectie. Klaagster vond dat de huisarts onvoldoende onderzoek had gedaan naar de klachten en ten onrechte had vastgehouden aan een bepaalde diagnose. Ook verweet zij hem dat hij geen calamiteitenmelding had gedaan na het overlijden van haar echtgenoot.
Het RTC oordeelde allereerst dat de huisarts niet onzorgvuldig had gehandeld. Er was geen sprake van een tekortkoming in de zorg. Volgens het RTC ontbrak daarom ook de grond voor een verplichte melding bij de IGJ. Het feit dat achteraf bleek dat de patiënt een ernstige aandoening had, betekende dan ook niet automatisch dat de verleende zorg van onvoldoende kwaliteit was:
“De omstandigheid dat achteraf kan worden vastgesteld dat patiënt leed aan een ernstige aandoening, betekent niet automatisch dat de kwaliteit van de door verweerder verleende zorg onvoldoende was.”
Een andere uitkomst in hoger beroep
Klaagster ging in hoger beroep bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG). Daar gebeurde iets opvallends.
Het CTG liet in haar uitspraak van 12 januari 2025 het inhoudelijke oordeel over het medisch handelen in stand: de huisarts had niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Toch verklaarde het CTG de klacht over het niet doen van een calamiteitenmelding gegrond. Er werd geen maatregel opgelegd, maar volgens het CTG had de huisarts het onverwacht overlijden van de patiënt als calamiteit bij de IGJ moeten melden:
“Het gaat hier om een onverwacht overlijden van een 37-jarige patiënt die in de negen dagen voor zijn overlijden zeven keer door een (huis)arts is beoordeeld. Daarmee staat vast dat hier de kwaliteit van zorg in het geding zou kunnen zijn en op voorhand valt niet uit te sluiten dat sprake zou kunnen zijn van een tekortkoming in die kwaliteit van zorg.
Dit betekent dat de huisarts het onverwachte overlijden van patiënt als calamiteit had dienen te melden bij de IGJ en niet heeft mogen volstaan met een melding bij de huisartsenpost met het verzoek om onderzoek te doen naar de gehele zorgverlening. Dat de huisarts zelf meende dat er bij zijn handelen geen sprake was van een tekortkoming in de door hem verleende zorg, maakt dat niet anders. Dit is nu juist aan de inspectie om te beoordelen.”
Voor het CTG lijkt de onverwachte aard van het overlijden van patiënt en de frequentie van de zorgverlening doorslaggevend te zijn voor de beoordeling of sprake kon zijn van een calamiteit. Daarbij lijkt het CTG ervan uit te gaan dat het “juist” aan de IGJ is om te beoordelen of sprake is van een calamiteit.
Consequenties voor de praktijk
De uitspraken van het RTC en het CTG laten zien dat de meldnorm voor calamiteiten verschillend kan worden benaderd. Het RTC sluit aan bij de wettelijke definitie van de Wkkgz: zonder vastgestelde tekortkoming in de zorg geen calamiteit en dus geen meldplicht.
Het CTG kiest voor een ruimere benadering. Niet doorslaggevend is of daadwerkelijk onzorgvuldig is gehandeld, maar of een tekortkoming op voorhand kan worden uitgesloten. Bij een onverwacht overlijden, zeker na herhaalde zorgcontacten, kan de kwaliteit van zorg zodanig in het geding zijn dat melding vereist is – ook als later blijkt dat zorgvuldig is gehandeld.
Daarmee verschuift de meldnorm van een vastgestelde fout naar een situatie waarin een fout niet kan worden uitgesloten. Dat vergroot de reikwijdte van de meldplicht en creëert onzekerheid voor zorgverleners. Zij moeten niet alleen beoordelen of een fout is gemaakt, maar ook of zij met zekerheid kunnen uitsluiten dat daarvan sprake zou kunnen zijn.
De lijn van het CTG suggereert dat bij twijfel eerder gemeld moet worden. Dat versterkt het leerdoel van de Wkkgz, maar ten koste van de voorspelbaarheid van de meldplicht in de praktijk.
Daarnaast geeft het CTG aan dat het “juist” aan de IGJ is om te beoordelen of sprake is van een calamiteit. Ik vraag mij eerlijk gezegd af of dat in lijn is met het huidige beleid van de IGJ. Op dit moment is het in eerste instantie aan de zorgaanbieder of solistisch werkend zorgverlener om zelf vast te stellen of sprake is van een calamiteit. Zo staat op de website van de IGJ het volgende vermeld:
“Meestal verwacht de inspectie dat u zelf de calamiteit onderzoekt. Maar soms is de aard van de melding voor de inspectie een reden om zelf onderzoek te doen. Of uw onderzoek voldoet niet aan de eisen die de inspectie stelt.”
Het CTG lijkt dan ook te suggereren dat voor het IGJ een actievere onderzoekstaak is weggelegd dan zijzelf in gedachten lijken te hebben.