HomeEen klacht tegen 6 collega’s. Kan dat?

Een klacht tegen 6 collega’s. Kan dat?

image description

Centraal Tuchtcollege, 8 april 2022

ECLI:NL:TGZCTG:NL:2022:68 t/m 73

Hoe beoordeelt de tuchtrechter klachten van collega’s onderling?

De klaagster in deze procedure is als arts werkzaam bij een arbo-organisatie en heeft een cliënt gesproken in het kader van verzuimbegeleiding. De arts heeft in verband met een aanvraag van een WIA-uitkering bij het UWV verklaard dat herstel van functioneren voor betaalde arbeid door haar cliënt haar vrijwel uitgesloten lijkt. De aanvraag wordt vervolgens door het UWV afgewezen.

De arts dient hierna een klacht in tegen 6 verzekeringsartsen van het UWV die op enigerlei wijze bij de beoordeling van de aanvraag betrokken zijn geweest. De verzekeringsarts verwijt haar 6 collega’s dat deze ondeugdelijk medisch onderzoek hebben verricht en dat hun rapportages niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen.

Het Centraal Tuchtcollege (CTG) bevestigt in beroep de 6 eerdere uitspraken van het Regionaal Tuchtcollege (RTG) dat de arts in al haar klachten niet-ontvankelijk is. Een klacht kan worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende. Daarmee wordt in ieder geval de patiënt zelf bedoeld. De klagende arts is geen patiënt of naaste van een patiënt, maar zij klaagt als collega van de verzekeringsartsen. Onder omstandigheden kunnen ook collega’s van beroepsbeoefenaren als rechtstreeks belanghebbende worden beschouwd. Dat kan echter alleen als de klagende collega een concreet eigen belang heeft, dat bovendien verband houdt met de individuele gezondheidszorg.

In dit geval stelt de arts dat zij een benadeelde partij is, omdat zij reputatieschade heeft opgelopen en daarom geen opdrachten meer krijgt. De arts stelt dat het vertrouwen in de medische stand is geschaad omdat het onderzoek en de rapportages van de verzekeringsartsen niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen. Het CTG overweegt dat uit de door de arts genoemde omstandigheden blijkt dat zij vindt dat zij geraakt is in een concreet eigen belang. Uit deze omstandigheden blijkt echter niet dat daarmee ook sprake is van een belang dat verband houdt met de individuele gezondheidszorg. Het CTG verwerpt het beroep van de klagende arts.

Deze uitspraak geeft antwoord op de vraag wie er in een tuchtzaak als klagende partij kan optreden. De wet BIG bepaalt in artikel 65 lid 1 dat een klacht (alleen) kan worden ingediend door:

a) een rechtstreeks belanghebbende;

b) degene die aan de beklaagde een opdracht heeft verstrekt;

c) degene bij wie of het bestuur van een instelling waarbij de beklaagde werkzaam is of voor het verlenen van individuele gezondheidszorg ingeschreven is;

d) de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).

Nu de klagende arts niet valt onder de categorieën b tot en met d, moest het tuchtcollege nagaan of zij kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende. In deze zaak bevestigt het CTG de vaste jurisprudentie dat wil een klagende collega als rechtstreeks belanghebbende kunnen worden aangemerkt, er sprake moet zijn van een concreet eigen belang dat bovendien verband houdt met de individuele gezondheidszorg. In dit geval was er kennelijk wel sprake van een concreet eigen belang, maar was er volgens het CTG geen sprake van een belang dat verband houdt met de individuele gezondheidszorg. Dit is een wat algemene overweging die voor niet ingewijden wellicht moeilijk te begrijpen valt. Had het niet meer voor de hand gelegen als het CTG had overwogen dat de klacht wel verband houdt met de individuele gezondheidszorg maar dat de arts bij het indienen daarvan geen concreet eigen belang had? De drempel om een collega-beroepsbeoefenaar tuchtrechtelijk succesvol aan te spreken blijft met deze jurisprudentie al met al hoog. Bijzonder is dat het CTG direct na afloop van de zitting mondeling uitspraak heeft gedaan. De aangeklaagde artsen hoefden daardoor niet nog 2 maanden op een schriftelijke uitspraak te wachten. Dit vormt een welkome bespoediging van de procedure waardoor aangeklaagde beroepsbeoefenaren in evident ongegronde of kansloze zaken niet langer in onzekerheid behoeven te verkeren over de uitkomst dan strikt noodzakelijk. Duidelijkheid bespaart uitweidingen en dient tot bewijs voor de gedachten.

Nieuwsbrief

Altijd up to date?

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Schrijf je in!
  • Wanneer je op aanmelden drukt ga je akkoord met ons Privacy Statement.