HomeNa dik 10 jaar toch nog een berisping???

Na dik 10 jaar toch nog een berisping???

image description

Regionaal Tuchtcollege Den Haag 2 juli 2019

ECLI:NL:TGZRSGR:2019:102

Een patiënte gaat op 12 december 2008 met klachten van pijn op de borst naar de eigen huisarts. De huisarts denkt aan een ontsteking en schrijft medicatie voor. Op 18 december 2008 gaat de patiënte met dezelfde klachten naar de huisartsenpost (HAP). De huisarts maakt een ECG en beoordeelt dat als normaal. Op 21 december 2008 gaat de patiënte opnieuw naar de HAP. De huisarts schrijft dan pijnstillende medicatie voor. Op 22 december 2008 belt de patiënte in de nacht twee keer met de HAP. De patiënte vraagt aan de triagiste om vanwege ernstige klachten een ambulance te bellen. De triagiste biedt een consult aan en zegt dat zij niet direct een ambulance kan bestellen. Hierna verbreekt de patiënte de verbinding en zegt zelf wel te bellen. De dienstdoende huisarts autoriseert het contact van de triagiste. In de loop van de volgende dag wordt de patiënte door de eigen huisarts naar het ziekenhuis verwezen alwaar een hartinfarct wordt vastgesteld. De patiënte dient op 15 november 2018 een klacht in tegen de huisarts die op 22 december 2008 op de HAP het contact van de triagiste heeft geautoriseerd. Zij verwijt deze huisarts dat hij geen ambulance heeft gebeld en geen huisbezoek heeft afgelegd.

Het tuchtcollege stelt voorop dat de klacht (net) voor het verstrijken van de tienjarige verjaringstermijn (art. 65 lid 5 wet BIG) is ingediend, zodat de klacht inhoudelijk behandeld moet worden. In het telefoongesprek van de patiënte met de triagiste was sprake van zodanige signalen dat deze hadden moeten worden aangemerkt als cardiale klachten. De triagiste werkte onder de verantwoordelijkheid van de dienstdoende huisarts. De dienstdoende huisarts is dan ook voor het handelen of nalaten van de triagiste verantwoordelijk. Zelfs als ervan uit wordt gegaan dat de patiënte in het gesprek met de triagiste heeft gezegd dat zij zelf een ambulance zou bellen had de dienstdoende huisarts, alvorens de afdoening door de triagiste te autoriseren, contact met de patiënte op moeten nemen om zo nodig noodzakelijke maatregelen te nemen. De klacht is gegrond. De huisarts krijgt de relatief zware maatregel van een berisping opgelegd. Redenen hiervoor zijn dat hij zich in het verweerschrift zeer ongepast heeft uitgelaten door de situatie van de patiënte te bagatelliseren en ook geen blijk heeft gegeven van enig zelfinzicht.

Uit deze uitspraak volgt, dat BIG-geregistreerden er rekening mee moeten houden dat het indienen van een tuchtklacht mogelijk is tot maar liefst 10 jaar na het betreffende handelen of nalaten. Dit benadrukt het belang van een goede statusvoering, omdat het vrijwel onmogelijk zal zijn om op basis van alleen herinneringen te reconstrueren wat er (zo) lang geleden heeft plaatsgevonden. Verder is een dienstdoende huisarts op een huisartsenpost verantwoordelijk voor de werkzaamheden van de triagist. De triagist zal in de regel de eerste (telefonische) opvang doen. Voordat de huisarts op een HAP het contact van de triagist accordeert zal moeten worden nagegaan of dit volgens de geldende werkafspraken is afgehandeld. Soms – zo ook in dit geval – zal het nodig zijn dat de huisarts zelf proactief optreedt. Ten slotte benadrukt deze uitspraak dat bij een gegronde klacht de zwaarte van de maatregel ook afhangt van de opstelling van de aangeklaagde partij. Zelfreflectie en verbetermaatregelen worden door de tuchtrechter in het kader van de bewaking van de kwaliteit van zorg erg belangrijk gevonden. Ondanks het grote tijdsverloop tussen het handelen en het indienen van de klacht krijgt de huisarts door zijn opstelling in de procedure een flinke douw. Wat betreft de benadering van een klagende partij geldt ook hier: hard op de inhoud en zacht op de relatie!

Nieuwsbrief

Altijd up to date?

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Schrijf je in!
  • Wanneer je op aanmelden drukt ga je akkoord met ons Privacy Statement.