Let op tijdige jaarverantwoording

01-02-2018

Zorginstellingen als bedoeld in de Regeling Toelating Zorginstellingen moeten op grond van de Wet Toelating Zorginstellingen jaarlijks vóór 1 juni van het jaar, volgend op het verslagjaar verantwoording afleggen over hun prestaties.
(Zie: www.jaarverantwoordingzorg.nl).

 

Op naleving van deze jaarverantwoordingsplicht wordt door de Minister van VWS (en namens deze: de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) strikt toegezien.

Als vóór 1 juni niet aan de verantwoordingsplicht is voldaan en hiervoor ook niet tijdig en gemotiveerd uitstel is gevraagd en verkregen, volgt vrijwel direct een zogenoemd voornemen om over te gaan tot het opleggen van een last onder dwangsom. De instelling wordt daarbij vier weken de tijd gegeven om alsnog aan de verplichting te voldoen. Indien dan alsnog niet aan de verplichting wordt voldaan, volgt daadwerkelijk een last onder dwangsom. Dat is een bestuurlijke sanctie die er toe strekt dat een overtreder wordt bewogen om de overtreding binnen een daartoe gestelde begunstigingstermijn alsnog ongedaan te maken.

Beleid van de Inspectie is dat daarbij opnieuw een termijn van vier weken wordt verleend om alsnog aan de verplichting te voldoen. Als na ommekomst van die termijn dan echter nog niet aan de verplichting is voldaan, dan volgt verbeurte en, door middel van een invorderingsbesluit, invordering van de dwangsom.

 

Uit twee recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (van 24 januari 2018 en 31 januari 2018) volgt dat deze werkwijze van de Inspectie in zijn algemeenheid niet onredelijk kan worden geacht.

De bevoegdheid om bij overtreding van de jaarverantwoordingsplicht door middel van een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden is in de Wet Toelating Zorginstellingen gegeven. Gelet op het algemeen belang dat bij handhaving is gediend, zal, zo overweegt de Afdeling in de uitspraak van 31 januari 2018, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten worden gemaakt. Slechts in bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen.

 

In de zaak waarover de Afdeling op 31 januari 2018 oordeelde, had de betreffende instelling naar aanleiding van het voornemen tot oplegging van de last onder dwangsom concept jaarcijfers met een toelichting van de accountant ingediend. Dat is, aldus de Afdeling geen bijzondere omstandigheid om van handhaving af te zien. Daarmee is, zo overweegt de Afdeling, aan de overtreding geen einde gemaakt.

In een door de instelling eerder (maar te laat) ingediend verzoek om uitstel, had de instelling aangevoerd dat haar zorginformatiesysteem pas in de loop van het jaar zo kon worden ingericht dat de laatste declaraties van het voorafgaande jaar zouden kunnen worden verricht, en dat vanwege diverse rechtszaken, waarin de instelling was verwikkeld, een uitgebreide accountantscontrole op de urenregistratie was vereist. Ook die ‘vertragende’ omstandigheden baten de instelling niet. Naar oordeel van de Afdeling blijkt uit die omstandigheden niet dat het voor de instelling feitelijk of juridisch onmogelijk was om de last binnen de begunstigingstermijn uit te voeren en dwangsommen te voorkomen.

 

In de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2018 bevestigt de Afdeling het uitgangspunt dat adequate handhaving met zich brengt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde boetes ook dienen te worden ingevorderd. Hier geldt eveneens dat daarvan slechts in bijzondere omstandigheden van kan worden afgeweken. Dat de instelling er, zoals zij stelde, vanuit ging dat de jaarverantwoording tijdig compleet was ingediend en dat zij op een door haar aan de Minister gestuurd bericht hierover niet meer had gehoord, was niet zo’n omstandigheid. Dat laat, aldus de Afdeling, onverlet dat de instelling uit de opgelegde last had kunnen weten dat de gedeponeerde gegevens niet compleet waren.

 

Mr. Mascha Bots

mef.bots@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 837