Home De Hoge Raad over de kennisgevingsplicht van verzekeraars

De Hoge Raad over de kennisgevingsplicht van verzekeraars


Een verzekeringnemer is verplicht om vóór het afsluiten van de verzekering alle informatie aan de verzekeraar te verstrekken die in het kader van de verzekeringsaanvraag relevant (kunnen) zijn. In het geval de verzekeringnemer deze verplichting niet is nagekomen, kan de verzekeraar hier alleen gevolgen aan verbinden indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming heeft gewezen, onder vermelding van de mogelijke gevolgen (art. 7:929 lid 1 BW). Op 27 februari 2026 heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan over deze kennisgevingsplicht van de verzekeraar. In deze zaak stond de vraag centraal wanneer deze termijn van twee maanden begint te lopen. Meer specifiek ging het om de vraag op welk moment een verzekeraar geacht wordt te hebben ontdekt dat de verzekeringnemer zijn mededelingsplicht heeft geschonden.

In de zaak die bij de Hoge Raad voorlag, ging het over een ondernemer die in 2014 een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten bij (de rechtsvoorganger van) Nationale-Nederlanden. In de gezondheidsverklaring die bij de aanvraag hoorde, heeft verzekerde aangegeven dat hij niet bekend was met rugklachten en rugpijn. Op 31 augustus 2020 meldde de verzekerde zich arbeidsongeschikt bij Nationale-Nederlanden in verband met rug- en nekklachten en deed hij een beroep op uitkering op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Hierna ontdekte Nationale-Nederlanden dat verzekerde eerder medische (rug)klachten heeft gehad die niet zijn opgegeven bij het aanvragen van de verzekering. In verband hiermee heeft Nationale-Nederlanden een nader onderzoek door een medisch adviseur laten verrichten. Op 19 februari 2021 ontving Nationale-Nederlanden een brief van de orthopedisch chirurg van verzekerde, gericht aan de medisch adviseur van Nationale-Nederlanden. In deze brief concludeert de chirurg dat bij verzekerde sprake is van chronische rugklachten. Op 25 maart 2021 heeft Nationale-Nederlanden de verzekerde per mail laten weten dat hij niet heeft voldaan aan zijn mededelingsplicht en heeft Nationale-Nederlanden verzekerde gewezen op de mogelijke gevolgen hiervan. Vervolgens heeft Nationale-Nederlanden op 29 april 2021, onder verwijzing naar een bijgesloten advies van haar medisch adviseur van 3 maart 2021, aan verzekerde laten weten dat vast is komen te staan dat verzekerde de mededelingsplicht heeft geschonden en dat er om deze reden geen recht op uitkering bestaat.

Volgens het gerechtshof had Nationale-Nederlanden niet tijdig aan haar kennisgevingsplicht voldaan, omdat zij niet binnen twee maanden na de ontdekking van de schending van de mededelingsplicht aan verzekerde heeft laten weten dat zij zich hierop beriep en welke gevolgen zij daaraan verbond. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel. Volgens de Hoge Raad geldt dat het moment waarop een medisch adviseur medische informatie ontvangt, niet zonder meer kan worden gezien als het moment waarop de verzekeraar de schending ontdekt in de zin van art. 7:929 lid 1 BW. Als uitgangspunt geldt dat de verzekeraar doorgaans eerst het advies van de medisch adviseur zal moeten afwachten, voordat kan worden beoordeeld of de verzekeringnemer bij het sluiten van de verzekering zijn mededelingsplicht al dan niet heeft geschonden. De termijn van twee maanden begint daarom pas te lopen op het moment dat de verzekeraar deze beoordeling, met de nodige voortvarendheid, heeft kunnen maken.

Bovendien benadrukt de Hoge Raad dat de verzekeraar de verzekerde binnen deze termijn van twee maanden slechts hoeft te wijzen op de mogelijke gevolgen van de schending van de mededelingsplicht. Niet vereist is dat de verzekeraar binnen deze termijn moet mededelen welke gevolgen zij daadwerkelijk aan de niet-nakoming verbindt.


Nieuwsbrief

Altijd up to date?

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Schrijf je in!

Scroll naar boven