Een erkenning van aansprakelijkheid is (niet altijd) het laatste woord?
De drempel voor een aansprakelijkheidsverzekeraar om terug te kunnen komen op een erkenning van aansprakelijkheid ligt erg hoog. Het uitgangspunt is dat dat alleen kan als er nieuwe feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen op basis waarvan het naar redelijkheid onaanvaardbaar zou zijn om aan de erkenning te worden gehouden. Dergelijke feiten en omstandigheden achtte de Rechtbank Overijssel recent aan de orde.
In deze zaak gaat het om een achterop-aanrijding die op 31 oktober 2022 heeft plaatsgevonden tussen de auto (van de echtgenote) van verzoeker, met daarin verzoeker als bestuurder, en een gehuurde bestelbus. De WAM-verzekeraar van de bestelbus heeft in november 2022, op basis van de op dat moment bekende informatie, erkend dat zij aansprakelijk is voor de schade die verzoeker door de aanrijding heeft geleden en zal lijden. De WAM-verzekeraar had in dat kader ook reeds € 10.500,= aan voorschotten aan verzoeker betaald.
In maart 2023 had de WAM-verzekeraar een nader onderzoek ingesteld naar de authenticiteit van de aanrijding, onder meer omdat de bestuurder en bijrijder van de bestelbus bij haar en andere verzekeraars bekend stonden als (vermoedelijk) veelpleger van opzetaanrijdingen. De WAM-verzekeraar was na dit onderzoek teruggekomen op de erkenning van aansprakelijkheid, zij stelde zich op het standpunt dat geen sprake is van een authentieke aanrijding. De rechtbank is uiteindelijk van oordeel dat de WAM-verzekeraar niet kan worden gehouden aan de erkenning van aansprakelijkheid.
Hierbij spelen de volgende aspecten een rol:
- De rechtbank acht het niet onbegrijpelijk is dat de WAM-verzekeraar aanleiding heeft gezien om het dossier waarbij verzoeker schade claimt opnieuw (kritisch) te bestuderen;
- De rechtbank is van oordeel dat uit een onderzoek van een verkeersongevallenanalyst blijkt dat de bestelbus voor de aanrijding merkwaardig rijgedrag vertoont en veel vragen oproept;
- In mei 2025 is op de website van het AD een artikel geplaatst met de kop “Twee weken na het verzekeren een “aanrijding”: [bijrijder van de bestelbus] veroorzaakte vele nep-botsingen”;
- De plek waar de aanrijding heeft plaatsgevonden acht de rechtbank in het licht van het reisdoel dat verzoeker en zijn bijrijder hadden (op zijn minst) merkwaardig. Uit het onderzoek van OAN blijkt dat de plek van de aanrijding het autobedrijf van de bijrijder van verzoeker is, maar die plek ligt in een heel ander gebied dan het autobedrijf van de bijrijder;
- Verzoeker en zijn bijrijder hebben tijdens interviews met de verkeersongevallenanalyst en bij een voorlopig getuigenverhoorprocedure tegengestelde verklaringen afgelegd.
De hiervoor genoemde omstandigheden roepen, aldus de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien ernstige twijfels op over de authenticiteit van de aanrijding. Hoewel dit voor een deel in het domein van de bestuurder en bijrijder van de bestelbus ligt, die geen partij zijn bij deze procedure, heeft verzoeker, wederom aldus de rechtbank, ook niets gedaan om de twijfels weg te nemen.
De rechtbank acht het onder voornoemde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de WAM-verzekeraar wordt gehouden aan haar erkenning van aansprakelijkheid.