HomeJurisprudentieoverzicht (medische) aansprakelijkheid april 2022

Jurisprudentieoverzicht (medische) aansprakelijkheid april 2022

image description

Samengesteld aan de hand van https://uitspraken.rechtspraak.nl:

Medische aansprakelijkheid

ECLI:NL:GHSHE:2022:1080
Vervolg op: ECLI:NL:HR:2020:1082. Verdeling stelplicht en omvang van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing.

De patiënt heeft voor én na verwijzing onvoldoende (nieuwe) stellingen ingenomen om – tegenover de gemotiveerde betwisting van het ziekenhuis – te kunnen oordelen dat de Miragelplombe in juli 1992 niet (langer) “state of the art” was bij gebruik als extrascleraal implantaat. Het ziekenhuis is daarom niet aansprakelijk.

ECLI:NL:RBOVE:2022:1129
Eiseres maakt aanspraak op betaling van een tandartsfactuur. Gedaagde beroept zich erop dat de behandeling niet goed is uitgevoerd en dat de tandarts weigert zijn klachten te verhelpen. Gedaagde stelt dat hij zijn betalingsverplichting mag opschorten totdat de tandarts zijn klachten heeft verholpen. De kantonrechter oordeelt dat aan gedaagde geen beroep op een opschortingsrecht toekomt en wijst de vordering tot betaling van de tandartsfactuur toe.

Vervangende toestemming voor medische behandeling

ECLI:NL:RBOBR:2022:1700
Afwijzing verzoek van Stichting Jeugdbescherming Brabant om vervangende toestemming voor medische behandeling te verlenen op grond van artikel 1:265h BW. Deze medische behandeling betreft het toedienen van de vaccinaties vanuit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), waarvoor de moeder toestemming had geweigerd. De vraag is of het bij de deelname aan het RVP gaat om een noodzakelijke behandeling om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden. Naar het oordeel van de kantonrechter is, gelet op de aan de orde zijnde feiten en omstandigheden, géén sprake van een noodzaak tot vaccinatie in de zin van artikel 1:265h BW. De rechtbank wijst het verzoek om vervangende toestemming af.

Deelgeschilprocedure

ECLI:NL:RBROT:2022:2398
Deelgeschil. Letselschade. Klachten zijn niet vast te stellen op basis van het dossier zodat ook niet is vast te stellen dat verzoeker beperkt is in zijn werkzaamheden. Het verzoek om een aanvullend voorschot wordt afgewezen. Met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten acht de rechtbank gelet op de overzichtelijkheid en omvang van de zaak matiging van de tijdsbesteding op zijn plaats. Ook acht de rechtbank een uurtarief van € 245,= voor advocaat-stagiaire te hoog, een tarief van € 180,= per uur is naar het oordeel van de rechtbank redelijk. De rechtbank overweegt in het kader van de buitengerechtelijke kosten dat een “professioneel belangenbehartiger ervoor [dient] te waken dat de wederpartij opdraait voor onnodige buitengerechtelijke werkzaamheden dan wel niet efficiënt inrichten van die werkzaamheden” (rov. 4.19). De buitengerechtelijke kosten worden derhalve deels toegewezen.

ECLI:NL:RBGEL:2022:1677
Deelgeschil. Gebondenheid aan op gezamenlijk verzoek van partijen uitgebrachte deskundigenrapporten. Geen zwaarwegende of steekhoudende bezwaren, met uitzondering van berekende % BI. De rechtbank verklaart voor recht dat rapporten als uitgangspunt dienen bij verdere schadeafwikkeling, m.u.v. het percentage BI. Voorts bepaalt de rechtbank dat partijen dienen mee te werken aan stellen van een aanvullende vraag aan de deskundige over het percentage BI.

ECLI:NL:RBROT:2022:2476
Deelgeschil, medische pedicure behandeling, brandwond, salon aansprakelijk. Na een medische pedicure behandeling in verband met likdoorns heeft verzoekster de huisarts bezocht in verband met een brandwond. Verzoekster heeft (kort gezegd) gesteld dat verweerder aansprakelijk is voor (de gevolgen van) de brandwond die zij heeft opgelopen door deze pedicure behandeling. Verzoekster verzoekt in het kader van onderhavige deelgeschilprocedure een verklaring voor recht ter zake die aansprakelijkheid. Gelet op de aan de orde zijnde omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat het niet anders kan dan dat de brandwond aan de linker voetwreef van verzoekster is ontstaan door de medische pedicure behandeling. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat, indien dat niet het geval zou zijn, van verweerder verwacht had mogen worden dat zij voldoende feitelijke gegevens had verstrekt ter motivering van de betwisting van de stellingen van verzoekster. Anders dan verzoekster beschikt verweerder immers als behandelaar over (cruciale) gegevens die (voor een eventuele bewijslevering) van belang kunnen zijn. (Alleen) verweerder weet door welke medewerker en op welke wijze de medische pedicure behandeling is uitgevoerd en of de Clearance producten correct zijn gebruikt. Dit leidt er naar het oordeel van de kantonrechter toe, dat – hoewel op verweerder niet de stelplicht en bewijslast rust – op verweerder als behandelaar een verzwaarde motiveringsplicht van haar verweer rust, zodat van hem verlangd wordt dat hij feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van de betwisting van de stellingen van verzoekster teneinde haar aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Aan de hand van de omstandigheden van het geval oordeelt de kantonrechter dat verweerder niet aan deze verzwaarde stelplicht heeft voldaan. Het voorgaande leidt naar het oordeel van de kantonrechter tot de conclusie dat bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting door verweerder, de stellingen van verzoekster als vaststaand worden aangenomen en dat er in rechte vanuit wordt gegaan dat de brandwond door de medische pedicure behandeling is veroorzaakt. Dit betekent dat verweerder is tekort geschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. De kantonrechter verklaart voor recht dat verweerder aansprakelijk is voor alle door verzoekster geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de pedicure behandeling. Het zelfstandig tegenverzoek van verweerder strekkende tot veroordeling van verzoekster in de proceskosten aan de zijde van verweerder wordt afgewezen, reeds omdat artikel 289 Rv (dat ziet op de veroordeling in de proceskosten) niet van toepassing is in een deelgeschilprocedure (artikel 1019aa lid 3 Rv).

ECLI:NL:RBGEL:2022:1894
Deelgeschil. Verzoek vaststellen causaal verband tussen klachten en ongeval afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank tonen de thans beschikbare (medische) stukken causaal verband niet onomstotelijk aan, nog los van de omstandigheid dat een gezamenlijk rapport ontbreekt. De enkele stelling dat verzoeker lijdt aan whiplashklachten als gevolg van het ongeval die toch niet uit een neurologisch onderzoek zullen blijken en dat duidelijk is dat zijn psychische klachten pas ontstaan zijn na het ongeval, is onvoldoende voor het aannemen van causaal verband. Voor het vaststellen van causaal verband is dus nader medisch onderzoek nodig door een onafhankelijke deskundige, aldus de rechtbank. Een deelgeschilprocedure leent zicht echter niet voor het gelasten van dergelijke deskundigenberichten. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af op de voet van art. 1019z Rv. Verzoeken betaling (voorschot op) schadevergoeding ook afgewezen.

Eigen schuld en billijkheidscorrectie (artikel 185 WVW)

ECLI:NL:RBOBR:2022:1530
Deelgeschil letselschade. Aanrijding tussen fietser en auto. Toetsingskader 185 WVW; eigen schuld en billijkheidscorrectie. Ernstige verkeersfout fietser; hij reed tegen de voorgeschreven rijrichting in en verleende geen voorrang. Verzekeraar hoeft maar 50% van de schade te vergoeden. Tegenverzoeken van het slachtoffer zien op vergoeding van kosten van een medische expertise, van zijn (buitengerechtelijke) advocaatkosten en betaling van een nader voorschot op zijn persoonlijke schade. Die tegenverzoeken worden afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing. Kosten deelgeschil gematigd. Eigen schuldpercentage wordt ook op de deelgeschilkosten toegepast.

Voorlopig deskundigenbericht

ECLI:NL:RBNHO:2022:2539
Verzoek voorlopig deskundigenbericht ex art. 202 Rv toegewezen. Verzoekster is in 2013 geopereerd aan een vergroeiing van haar grote teen. Zij stelt dat hierbij en erna fouten zijn gemaakt door het ziekenhuis en verzoekt de benoeming van deskundige X. Het ziekenhuis stelt voor deskundige Y te benoemen. Omdat beide deskundigen niet bereid zijn en/of niet vrij staan de expertise te doen, heeft de rechtbank het voornemen deskundige Z te benoemen, die ook heeft aangegeven beschikbaar te zijn voor de expertise. Verzoekster heeft geen bezwaar tegen de benoeming van deskundige Z. Het ziekenhuis heeft de rechtbank bericht niet bekend te zijn met rapporten van Z en daarom dus niet over de kwaliteit ervan te kunnen oordelen. De rechtbank benoemt deskundige Z. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het ziekenhuis geen inhoudelijk onderbouwd bezwaar aangevoerd tegen de benoeming van Z. Om die reden wordt ook niet meer toegekomen aan beoordeling van de later nog door het ziekenhuis voorgestelde deskundigen.

ECLI:NL:GHSHE:2022:1143
Hoger beroep gedeeltelijke afwijzing verzoek voorlopig deskundigenbericht. Letsel na twee verkeersongevallen. Aansprakelijkheid erkend. Verschil van mening over de beperkingen, over het causaal verband en over de schade wegens verlies aan verdienvermogen. De rechtbank had een neuroloog, een neuropsycholoog en een psychiater tot deskundige benoemd, maar het verzoek tot benoeming van een bedrijfseconoom afgewezen, omdat dit verzoek prematuur en in strijd met de goede procesorde was. Tegen deze gedeeltelijke afwijzing is hoger beroep ingesteld. In hoger beroep stelde verzoeker zich op het standpunt wel belang te hebben bij een onderzoek naar de financiële schade, omdat de verzekeraars zich op het standpunt stelden dat er geen reden was verder te bevoorschotten boven op de reeds betaalde voorschotten. Voorts stelde verzoeker onder meer dat de het feit dat van hem wordt verwacht dat hij eerst het tijdrovende en belastende medische deskundigentraject doorloopt voordat hij bewijs mag leveren voor de omvang van zijn schade ook niet goed valt te rijmen met de Gedragscode Behandeling Letselschade waaruit volgt dat benadeelden baat hebben bij en recht hebben op een voortvarende schadeafwikkeling. Het hof bekrachtigt evenwel beschikking van de rechtbank. Het hof stelt in dat kader vast dat de medische onderzoeken nog (lang) niet zijn afgerond. Zolang het door verzoeker gestelde causale verband niet is vast komen te staan of voldoende aannemelijk is geworden, is het hof van oordeel dat een nieuw onderzoek door een bedrijfseconoom naar de financiële schade als gevolg van dat vermeende causale verband (vooralsnog) niet ter zake dienend. Het verzoek stuit naar het oordeel van het hof af op de goede procesorde en andere door het hof zwaarwichtig geoordeelde bezwaren.

Toerekening van letselschade  art. 6:98 BW na onrechtmatige uitzending

ECLI:NL:HR:2022:590
Onrechtmatige daad. Benadeelde heeft psychische klachten ontwikkeld na een televisie uitzending en stelt als gevolg daarvan schade te lijden, onder meer bestaande uit verlies aan verdienvermogen. Benadeelde stelt daarvoor het omroepbedrijf en de producent van het programma aansprakelijk. In de daarop volgende civiele procedure is komen vast te staan dat sprake is geweest van een onrechtmatige daad en dat sprake is van causaal verband tussen de onrechtmatige uitzending en de psychische klachten (het geestelijk letsel). De rechtbank had geoordeeld dat gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade alleen de (immateriële) schade ter zake van aantasting van eer en goede naam als gevolg van de onrechtmatige uitzending toerekenbaar was. De rechtbank heeft deze immateriële schade begroot op een bedrag van € 2.500,=,. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het ging om de hoogte van het door de rechtbank vastgestelde smartengeld en het vonnis voor het overige bekrachtigd. In de procedure bij de Hoge Raad gaat het om de vraag in hoeverre de psychische klachten kunnen worden toegerekend aan het omroepbedrijf en de producent. De klachten in cassatie komen er grotendeels op neer dat het hof heeft miskend dat vergoeding is gevorderd ter zake van letselschade, ten aanzien waarvan toerekening in ruime mate plaatsvindt, althans dat deze oordelen onvoldoende zijn gemotiveerd. De Hoge Raad stelt vast dat het hof de omstandigheid dat eiser letselschade heeft geleden niet betrokken heeft bij het onderzoek naar de in art. 6:98 BW bedoelde toerekening. Het hof heeft voorts naar het oordeel van de Hoge Raad verzuimd bij het onderzoek te betrekken dat het deel van de letselschade dat (mede) is ontstaan of verergerd door een eventuele predispositie waarvan niet aannemelijk is dat deze zonder de uitzending in de toekomst zou hebben geleid tot (dat deel van) het geestelijk letsel, in beginsel op grond van art. 6:98 BW aan het omroepbedrijf en de producent moet worden toegerekend. De Hoge Raad concludeert dat deze klachten slagen (en dat de andere klachten niet tot cassatie leiden). Na verwijzing dient het toerekeningsverband tussen de uitzending en de schade opnieuw te worden onderzocht.

Werkgeversaansprakelijkheid

ECLI:NL:RBROT:2022:3220
Arbeidsrechtelijke omkeringsregel. Blootstelling aan OPS/CTE aangenomen op basis van conclusies Solvent Team. Bewijsopdrachten werkgever. Mogelijk inschakeling deskundige nodig indien werkgever niet slaagt in een van de opdragen bewijsopdrachten.

ECLI:NL:RBROT:2022:3114
Artikel 7:658 lid 2 BW. Na deskundigenbericht. Causaal verband tussen blootstelling aan sigaretten-/rooklucht tijdens werk en gezondheidsschade werknemer (COPD) voldoende aangetoond. Werkgever aansprakelijk voor schade. Verwijzing naar schadestaat.

ECLI:NL:GHSHE:2022:1242
Arbeidsongeval. Zorgvuldigheidsplicht van artikel 7:658 BW. Werknemer verstapt zich bij het afdalen van twee treden, terwijl hij ondertussen een portofoon in een borstzak wil opbergen. Hij komt ten val, raakt een koker en loopt een dwarslaesie op, waarvan de gevolgen na een operatie (deels) zijn verholpen. Huis-, tuin- en keukensituatie. Geen schending van de zorgvuldigheidsverplichting.

ECLI:NL:RBNNE:2022:1064
Arbeidsongeval. Val van een trap. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet is tekortgesloten in haar zorgplicht en daarom niet aansprakelijk is voor de door de werknemer geleden schade.

Werkgever aansprakelijk voor schade werknemer als gevolg van niet afsluiten inzittendenverzekering (art. 7:611 BW)

ECLI:NL:RBROT:2022:2633
Schadestaat. Werkgever aansprakelijk voor schade werknemer als gevolg van niet afsluiten inzittendenverzekering (art. 7:611 BW) door werkgever. Bewijsopdracht ten aanzien van werkzaamheden + overleggen nadere financiël0e stukken.

Vastellen schade na asbestblootstelling

ECLI:NL:RBGEL:2022:1814
Schadestaat. Psychisch letsel na asbestblootstelling in huurwoning. Deskundigenbericht nodig over pre existente klachten en niet in causaal verband staande klachten.

Begroting overlijdensschade

ECLI:NL:RBGEL:2022:1976
Verbintenissenrecht. Begroting overlijdenschade op de vergoeding waarvan aanspraak bestaat uit hoofde van een SVI-verzekering. Derving levensonderhoud en zelfwerkzaamheid. Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2021:2894.

Geschil over dekking op grond van schadeverzekering inzittenden (SVI)

ECLI:NL:GHARL:2022:3025
Geschil over inzittendenverzekering. Bestuurder van auto claimt schade. Verzekeraar dient te bewijzen dat de bestuurder het ongeval met opzet heeft veroorzaakt.

Directe actie (artikel 7:954 BW)?

ECLI:NL:HR:2022:616
Verzekeringsrecht. Directe actie. Mist art. 7:954 BW toepassing in een geval waarin de benadeelde jegens de verzekeraar een eigen recht op schadevergoeding is toegekend op grond van art. 6 lid 1 WAM en dat recht als gevolg van verjaring niet meer afdwingbaar is? Grenzen rechtsstrijd; wettelijke rente.

Aansprakelijkheid rechtsbijstandsverzekeraar

ECLI:NL:GHSHE:2022:1021
Operatie aan rug in Duitsland na éénzijdig skiongeval. Na overplaatsing naar Nederland heeft appellante een second opinion ingewonnen. Bij deze second opinion is  op basis van de in Duitsland gemaakte röntgenfoto’s vastgesteld dat de Duitse kliniek een verkeerde diagnose heeft gesteld omdat de ruggenwervels niet waren gebroken. Volgens de Nederlandse orthopedisch chirurg was sprake van een aangeboren afwijking en was een operatie niet nodig. Geadviseerd werd zo snel mogelijk het metaal uit de rug van appellante te laten verwijderen. Het metaal is daarna in een andere Nederlandse kliniek verwijderd. De in de Duitse kliniek gemaakte röntgenfoto’s zijn in deze Nederlandse kliniek zoekgeraakt, waarna appellante haar rechtsbijstandsverzekeraar heeft ingeschakeld. De rechtsbijstandsverzekeraar heeft erkend dat zij een fout heeft gemaakt door de foto’s niet tijdig op te vragen en door hieraan onvoldoende opvolging te geven waardoor aansprakelijkstelling van de Duitse kliniek in verband met het kwijtraken van de foto’s vanwege verjaring niet meer mogelijk is. De rechtsbijstandsverzekeraar betwist evenwel dat dit nalaten tot schade heeft geleid. Geen causaal verband tussen de onrechtmatige daad van door de rechtsbijstandsverzekeraar in geschakelde belangenbehartiger van verzekerde en de door verzekerde gestelde schade aangenomen.

COVID-19

ECLI:NL:RBLIM:2022:2814
Loonstop vanwege de weigering van een werknemer, werkzaam in de functie van zorgassistent, om een medisch mondkapje te dragen. Naar het oordeel van de kantonrechter is de met ingang van 4 november 2021 door de werkgever aan haar medewerkers gegeven instructie om een medisch mondkapje te dragen te beschouwen als een redelijk ordevoorschrift. De werkgever heeft een zwaarwegend belang om dit van haar medewerkers te verlangen. De werkgever heeft immers de wettelijke plicht om haar kwetsbare cliënten en haar medewerkers te beschermen tegen de mogelijk ernstige gevolgen van Covid-19 en het belang om de zorg te kunnen blijven bieden door over voldoende personeel te kunnen beschikken. Het is niet komen vast te staan dat de werknemer vanwege medische redenen geen medisch mondkapje kán dragen. Geen recht op loon vanwege ziekte als bedoeld in artikel 7:629 BW dan wel vanwege situatieve arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 7:628 BW.

vorige overzicht

Meer weten over (medische) aansprakelijkheid?

Neem gerust contact met ons op!

Nieuwsbrief

Altijd up to date?

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Schrijf je in!
  • Wanneer je op aanmelden drukt ga je akkoord met ons Privacy Statement.