HomePermanente fillers: state of the art (in 2001-2004)?

Permanente fillers: state of the art (in 2001-2004)?

image description

Het toepassen van permanente rimpelvullers (fillers) anders dan voor medisch reconstructieve doeleinden, zoals voor cosmetische doeleinden, is sinds 2015 verboden.

In de zaak die tot de recente uitspraak van Hof ‘s-Hertogenbosch leidde, behandelde een plastisch chirurg het gezicht van een patiënte met permanente fillers. De patiënte wenste cosmetische ingrepen omdat zij, onder meer, rimpels had in haar gezicht. Op haar verzoek heeft de plastisch chirurg bij de patiënte in 2001 en 2002 correctieve plastische aangezichtschirurgie met de permanente filler Aquamid verricht. In 2003 volgde een behandeling met een andere permanente filler (Bio-Alcamid). De fillers in de linker wang van de patiënte raakten ontstoken en werden in de Verenigde Staten verwijderd. Om het volumeverlies wat daardoor was ontstaan op te lossen, heeft de plastisch chirurg patiënte in 2004 en 2005 opnieuw behandeld met Bio-Alcamid.

De patiënte heeft de plastisch chirurg in 2008 aansprakelijk gesteld voor haar schade als gevolg van de behandeling met Bio-Alcamid.

Daarnaast heeft zij de plastisch chirurg tuchtrechtelijk aansprakelijk gesteld. Na een waarschuwing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, is de plastisch chirurg in 2013 door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg berispt voor ondeugdelijke dossiervorming.

In het civiele proces heeft een deskundige in 2016 een kritisch rapport uitgebracht. Desondanks heeft de rechtbank de vordering van de patiënte afgewezen. Patiënte is in hoger beroep gegaan en stelt bij het hof (ook) dat de plastisch chirurg door de behandeling met fillers gebruikt heeft gemaakt van een gebrekkige hulpzaak (volgens art. 6:77 BW). In art. 6:77 BW is bepaald dat, als bij de uitvoering van een verbintenis gebruik gemaakt wordt van een zaak die daartoe ongeschikt is, de tekortkoming die daardoor ontstaat de schuldenaar wordt toegerekend, tenzij dit onredelijk is.

Het Hof ’s-Hertogenbosch verwijst in haar oordeel naar de recente arresten ‘Miragelplombe’ en ‘PIP’ van de Hoge Raad over het gebruik van gebrekkige producten.

De Hoge Raad heeft in de ‘Miragelplombe-zaak’ ten aanzien van medische hulpzaken overwogen – kortgezegd – overwogen, dat geen sprake is van een tekortkoming indien een zaak is gebruikt die ten tijde van de behandeling ‘state of the art’ is maar op grond van later opgekomen medische inzichten niet geschikt wordt bevonden.

In diezelfde lijn heeft de Hoge Raad in de ‘PIP-zaak’ ten aanzien van (borst)implantaten overwogen:

“De enkele omstandigheid dat een bepaald soort of type implantaat dat ten tijde van de behandeling ‘state of the art’ was, op grond van naderhand opgekomen medische inzichten minder geschikt of zelfs ongeschikt wordt bevonden voor de verrichte geneeskundige behandeling, lever niet een tekortkoming op in de nakoming van de verbintenis.”

In het licht van Miragelplombe- en PIP-arresten oordeelt het Bossche hof dat permanente fillers in de periode 2001 tot en met 2004 volgens de medische inzichten geschikt waren en voldeden aan de toen geldende medische normen. Pas in 2005 heeft de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie een standpunt gepubliceerd, waarin het gebruik van permanente fillers voor (puur) esthetische doeleinden wordt ontraden. Sinds 2015 geldt een verbod op toepassing van permanente fillers anders dan voor reconstructieve doeleinden.

Kortom: permanente fillers waren in de periode 2001-2004 ‘state of the art’. Het enkele gebruik van permanente fillers in die periode levert (dan ook) geen tekortkoming op.

Opmerking verdient tot slot dat, de rechter (hoogstwaarschijnlijk) anders zal oordelen bij het anno 2020 toepassen van permanente fillers met een louter cosmetisch oogmerk.

Nieuwsbrief

Altijd up to date?

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Schrijf je in!
  • Wanneer je op aanmelden drukt ga je akkoord met ons Privacy Statement.