Home Wet BOPZ toegepast vanwege gevaar voor 16 weken oude foetus

KBS

Wet BOPZ toegepast vanwege gevaar voor 16 weken oude foetus

De rechtbank Amsterdam heeft op 14 februari 2011 een opvallende uitspraak gedaan in een ibs-procedure. De rechtbank heeft een inbewaringstelling voortgezet bij een 16 weken zwangere vrouw vanwege het gevaar dat zij veroorzaakte voor haar ongeboren kind.

Vereist voor een inbewaringstelling is dat iemand een stoornis heeft van zijn geestvermogens en dat deze stoornis de betrokkene gevaar doet veroorzaken. De Wet BOPZ definieert ‘gevaar’ als gevaar voor iemand zelf, voor anderen en/of gevaar voor de algemene veiligheid. In deze casus oordeelde de rechtbank dat er een onmiddellijk gevaar bestond voor de foetus – dus voor een ander – en paste de Wet BOPZ toe.

Opvallend is dat de 16 weken oude foetus in deze zaak door de rechtbank als een juridisch ‘ander’ is beschouwd. Volgens het gezondheidsrecht is een foetus eigenlijk pas een juridisch ander vanaf de geboorte. De geboorte is het beginpunt van de juridisch menselijke persoon. Uit de uitspraak blijkt echter dat indien sprake is van gevaar voor de ongeboren vrucht, toepassing van de Wet BOPZ reeds bij een 16 weken zwangere vrouw mogelijk is.

De zwangere vrouw was cocaïne verslaafd en leed aan een borderline persoonlijkheidsstoornis. Het gevaar dat de vrouw veroorzaakte bestond eruit dat ze met name het ongeboren kind van het leven zou beroven of het ernstig letsel zou toebrengen. De rechtbank oordeelde dat dit gevaar zo onmiddellijk dreigend was dat opneming met een voorlopige rechterlijke machtiging niet kon worden afgewacht en zette de inbewaringstelling om die reden voort.

Bron: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 2012; 156: A3818, ‘Wet BOPZ toegepast bij vroege zwangerschap verslaafde, gepubliceerd op: 05-01-2012.

Nieuwsbrief

Altijd up to date?

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Schrijf je in!

Scroll naar boven