Gerechtshof bekrachtigt uitspraak over twitteren en concurrentiebeding

30-03-2012

Het Gerechtshof Den Haag heeft de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam bekrachtigd. In deze zaak gaat het om een werknemer in dienst van een intermediair op het gebied van personele dienstverlening op financieel gebied. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Na opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer treedt hij in dienst van een concurrent.Voorafgaand aan indiensttreding heeft de werknemer de voorzieningenrechter schorsing van het concurrentiebeding verzocht. Dit verzoek heeft de rechter gehonoreerd, waartegen de ex-werkgever in hoger beroep is gekomen.

 

Het hof komt tot een (voorlopige) belangenafweging van partijen die in het voordeel van de ex-werknemer uitvalt. Het belang van de ex-werkgever bij volledige handhaving van het concurrentiebeding is duidelijk,, aangezien deze haar bedrijfsdebiet wenst te beschermen. Het belang van de ex-werknemer is gelegen in de mogelijkheid zich te verbeteren en te ontwikkelen, zowel op het financiële als ook op het vakinhoudelijke vlak. Omdat de arbeidsvoorwaarden en de ontwikkelingsmogelijkheden bij de nieuwe werkgever voor de ex-werknemer als gunstiger worden beoordeeld, is het voorlopig voordeel van het hof dat het belang van de ex-werkgever voor de belangen van de ex-werknemer moet wijken. 

 

Afgezien van de schorsing van het concurrentiebeding, blijven de tussen partijen overeengekomen relatie- en geheimhoudingsbedingen wel onverkort hun gelding behouden. Met betrekking tot deze bedingen voerde de ex-werkgever aan de ex-werknemer niet te vertrouwen dat hij zich aan deze bedingen zal houden. Ter ondersteuning beriep hij zich op verschillende Twitter-berichten, waarin de ex-werknemer aangeeft op zoek te zijn naar zzp'ers op het terrein van "finance". Het hof oordeelt dat de ex-werknemer zich met deze berichten mogelijk op glad ijs begeeft, maar dat ze nog geen schending van het relatiebeding opleveren. Het hof maakt daarin een onderscheid tussen Twitter enerzijds en netwerkmedia als Linkedin en Facebook anderzijds. Volgens het hof is het volgen op Twitter een eenzijdige actie vanuit de volger en niet specifiek geïnitieerd vanuit de eigenaar van het gevolgde twitteraccount. Een uitnodiging daarvoor en een acceptatie daarvan zijn (anders dan bijvoorbeeld bij de persoonlijke accounts op Facebook of Linked In) niet nodig. Het gaat bij een Twitterbericht/tweet zoals hier aan de orde in feite om een moderne vorm van adverteren gericht op gegadigden voor werk die zich (onweersproken) doorgaans bij meerdere bedrijven zoals Steens en Resources hebben ingeschreven en dus regelmatig in beide “kaartenbakken” zullen zitten."

 

Klik hier voor de volledige uitspraak (Hof Den Haag, 21 februari 2012, LJN: BW0090).

 

 

 

 

 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845