Home Kan de feitelijke werkgever een beroep doen op het subrogatieverbod van artikel 7:962 lid 3 BW?

Kan de feitelijke werkgever een beroep doen op het subrogatieverbod van artikel 7:962 lid 3 BW?

Het gebeurt regelmatig dat een werknemer een arbeidsovereenkomst met bedrijf A is aangegaan, maar feitelijk werkzaamheden verricht bij bedrijf B. Dit was eveneens aan de orde bij een werknemer die betrokken raakte bij een arbeidsongeval tijdens zijn werkzaamheden voor Equans. Formeel was hij in dienst bij Equans Nederland N.V. (enig bestuurder en aandeelhouder van Equans). Zorgverzekeraar ASR, die de medische kosten had vergoed, richtte haar verhaalsactie op de feitelijke werkgever (Equans) in plaats van de formele werkgever. De rechtbank Den Haag oordeelde dat de vordering van ASR niet geblokkeerd werd door het subrogatieverbod van artikel 7:962 BW.

De feiten

Op 11 februari 2019 raakte de werknemer gewond tijdens het assembleren van een koelunit en het daarop monteren van een schakelkast. De schakelkast raakte gekanteld en kwam op de werknemer terecht. Hij liep ernstig letsel op aan zijn onderlichaam. ASR heeft de medische kosten van de werknemer vergoed en wenst deze vervolgens te verhalen op Equans, de feitelijke werkgever.

Equans gaf aan dat bij haar geen verhaal kon worden gezocht wegens het subrogatieverbod van artikel 7:962 lid 3 BW. Dit lid bepaalt dat de verzekeraar geen regres kan nemen op bepaalde categorieën personen met wie de verzekerde een duurzame relatie heeft (zoals de echtgenoot, de kinderen of de werkgever van de verzekerde).

Equans was van mening dat zij eveneens als “werkgever” moet worden aangemerkt, omdat de werknemer feitelijk permanent en exclusief bij haar was tewerkgesteld. Indien de rechtbank haar standpunt niet deelt, verzoekt Equans om op de voet van artikel 392 Rv aan de Hoge Raad de prejudiciële vraag voor te leggen of permanente intra-concerndetachering zoals in deze zaak aan de orde onder de reikwijdte van het subrogatieverbod valt. Volgens haar is werkgeverschap in concernverband een onderwerp dat steeds relevanter is geworden, en dat werkgeversaansprakelijkheid één van de meest geëxploiteerde aansprakelijkheidsgrondslagen in de Nederlandse rechtspraktijk is.

ASR stelde daarentegen dat alleen de formeel juridische werkgever zich kan beroepen op het subrogatieverbod, en dus niet (ook) de inlener/materieel werkgever.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt – met verwijzing naar het Anderzorg-arrest – voorop dat de wetgever de voorkeur heeft gegeven aan een limitatieve opsomming van duidelijk afgebakende uitzonderingscategorieën, waardoor geen maatwerk plaatsvindt op basis van de concrete omstandigheden van het geval. Het regresverbod van art. 7:962 lid 3 BW vormt een uitzondering op de hoofdregel van subrogatie zodat de bepaling daarom terughoudend moet worden uitgelegd. De strekking van de bepaling is te voorkomen dat verstoring plaatsvindt van een relatie van duurzame aard tussen de verzekerde en degene op wie verhaal wordt genomen.

De rechtbank achtte van doorslaggevend belang of Equans de formeel juridische werkgever was van de werknemer. Dat was niet het geval, zodat het subrogatieverbod op haar niet van toepassing is. Over de duurzaamheid en exclusiviteit van de tewerkstelling van de werknemer bij Equans hoeft verder niet geoordeeld te worden.

Ook het beroep van Equans op het arrest Achmea/Menzis wordt verworpen. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van omzeiling van het subrogatieverbod. In het arrest Achmea/Menzis was een andere situatie aan de orde waarin twee personen hoofdelijk verbonden waren voor de schade van de slachtoffers van een verkeersongeval. In dit geval zijn Equans Nederland en Equans niet beide aansprakelijk vanwege hun aandeel in het ontstaan van de schade. Dat in hun onderlinge verhouding Equans, als zij de door ASR uitgekeerde bedragen vergoedt, daarvoor regres zou kunnen nemen op Equans Nederland valt volgens de rechtbank niet goed in te zien en is bovendien niet toegelicht.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de door Equans voorgestelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen over de reikwijdte van het subrogatieverbod.

De conclusie

De rechtbank komt tot de slotsom dat het regresverbod van artikel 7:962 lid 3 BW uitsluitend geldt ten opzichte van de formele werkgever. Equans is dat niet, zodat zij niet van het subrogatieverbod kan profiteren. Het regres van een zorgverzekeraar op de feitelijke werkgever is dus toegestaan.

Nieuwsbrief

Altijd up to date?

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Schrijf je in!

Scroll naar boven