Home Wanneer begint de verjaring van een vordering op een verzekeraar tot uitkering te lopen?

Wanneer begint de verjaring van een vordering op een verzekeraar tot uitkering te lopen?

Hoge Raad 14 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1686

Artikel 7:942 lid 1 BW bepaalt dat een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. In dit arrest staat de vraag centraal wanneer deze driejaarstermijn begint te lopen bij een aansprakelijkheidsverzekering. Is beslissend het moment waarop de verzekerde aansprakelijk is gesteld of kan de verjaringstermijn eerder aanvangen?

Relevante feiten

Een werkneemster van Rabobank raakt in november 2009 tijdens haar werkzaamheden betrokken bij een eenzijdig auto-ongeval. Rabobank heeft op dat moment een aansprakelijkheidsverzekering bij Zurich. De werkneemster ontvangt een uitkering onder haar eigen SVI, maar haar schade overstijgt de verzekerde som van één miljoen euro. Daarnaast ontvangt de werkneemster een uitkering van € 57.783,37 uit hoofde van de door Rabobank afgesloten collectieve ongevallenverzekering. Daarmee is haar schade niet volledig vergoed: volgens de werkneemster resteert ruim € 600.000,- aan onvergoede schade.

Twee brieven en het vervolg

Op 24 september 2014 stuurt de advocaat van de werkneemster een brief aan Rabobank waarin staat dat Rabobank zich na het ongeval niet als goed werkgever heeft opgesteld. De brief vermeldt verder: “Ter voorkoming van verjaring van haar eventuele vorderingsrecht heeft zij mij verzocht u te berichten dat zij ter zake hiervan ondubbelzinnig haar rechten op nakoming voorbehoudt. Gelieve deze brief daarom aan te merken als een stuitingsmededeling in de zin van artikel 3:317 BW.”

Op 25 juni 2018 volgt een tweede brief. Daarin staat dat de schade van de werkneemster de ontvangen schadevergoedingen overstijgt en dat Rabobank, anders dan met de collectieve ongevallenverzekering, niet heeft gezorgd voor een aanvullende dekking. Volgens de werkneemster heeft Rabobank daarom niet aan haar verplichting als goed werkgever (art. 7:611 BW) voldaan. Ze stelt Rabobank aansprakelijk voor het tekort en stuit met de brief de verjaring van haar rechten.

In 2018 en 2019 hebben Rabobank en Aon enerzijds en Zurich anderzijds gecorrespondeerd over de dekkingsvraag.

De werkneemster betrekt Rabobank in rechte en Rabobank roept Zurich in vrijwaring op. In de hoofdzaak wordt tussen de werkneemster en Rabobank geschikt. In de vrijwaringszaak gaat het (daarna) om de vraag of Zurich het bedrag dat Rabobank aan de werkneemster heeft betaald, moet vergoeden. Zurich vindt van niet en voert daarvoor in de eerste plaats aan dat de vordering van Rabobank is verjaard, omdat ze al vóór 2018 een opeisbare dekkingsaanspraak had.

Oordeel van de kantonrechter en het hof

De kantonrechter verwerpt in een tussenvonnis het verjaringsverweer. In hoger beroep betoogt Zurich primair dat de vordering van Rabobank al eind 2009 opeisbaar was, omdat ze toen met het ongeval en de schade bekend was, althans bekend had moeten zijn. Subsidiair voert Zurich aan dat de brief van 24 september 2014 als aansprakelijkstelling moet worden beschouwd en de verjaringstermijn in ieder geval toen is gaan lopen.

Het hof stelt voorop dat artikel 7:942 BW betrekking heeft op de verjaringsregeling van vorderingen uit hoofde van verzekeringen in het algemeen. Voor de vraag wanneer een vordering onder een aansprakelijkheidsverzekering opeisbaar is, onderzoekt het hof de wetsgeschiedenis bij artikel 7:942 lid 1 BW. Op basis daarvan beslist het hof dat de verjaringstermijn begint te lopen op de dag nadat Rabobank met de opeisbaarheid van haar vordering op Zurich bekend is geworden en dat daarvoor bepalend is op welk moment Rabobank aansprakelijk is gesteld. Het primaire standpunt van Zurich dat de verjaring al vóór de aansprakelijkstelling is gaan lopen, kan daarom niet worden gevolgd.

Vervolgens beoordeelt het hof of de brief van 24 september 2014 als aansprakelijkstelling moet worden opgevat. Het hof meent van niet en wijst erop dat:

  • uit de tekst geen aansprakelijkstelling volgt; er wordt gesproken van het “eventuele” vorderingsrecht;
  • expliciet wordt verzocht de brief als stuitingshandeling aan te merken;
  • een redelijke uitleg meebrengt dat de stuitingsmededeling enkel bedoeld was om de mogelijkheid van een vordering open te houden;
  • bovendien in 2014 nog niet vaststond dat de bestaande verzekeringen onvoldoende dekking zouden bieden. Dat bleek pas in 2017.

Het hof oordeelt dat Rabobank de brief redelijkerwijs niet hoefde op te vatten als een aansprakelijkstelling. Die vond pas plaats bij de brief van 25 juni 2018. De verjaringstermijn begon daarom op 26 juni 2018 te lopen en omdat de vrijwaringsdagvaarding binnen drie jaar daarna is uitgebracht, is geen sprake van verjaring.

Oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad citeert artikel 7:942 lid 1 BW en overweegt vervolgens (voetnoten weggelaten):

“De bepaling bevat een bijzondere verjaringstermijn voor de rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering. Deze verjaringstermijn geldt voor alle in titel 17 van Boek 7 BW geregelde verzekeringen en is dus niet specifiek toegesneden op een verzekering tegen aansprakelijkheid. Zoals blijkt uit de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.4 tot en met 4.8, bevatte art. 7:942 lid 1 BW aanvankelijk een tweede volzin voor verzekering tegen aansprakelijkheid en is die tweede volzin met ingang van 1 juli 2010 als overbodig geschrapt; daarbij is in de memorie van toelichting opgemerkt dat pas als de verzekerde aansprakelijk is gesteld, hij een opeisbare vordering op zijn verzekeraar heeft en dat op dat moment de termijn van drie jaren een aanvang neemt.”

Tegen deze achtergrond acht de Hoge Raad het oordeel van het hof juist dat in deze zaak het moment van aansprakelijkstelling bepalend is voor de aanvang van de verjaringstermijn van artikel 7:942 lid 1 BW. Het middel van Zurich faalt op dit punt. De overige cassatieklachten worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO: beantwoording daarvan is niet nodig in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep wordt volledig verworpen.

Slotbeschouwing

Uit het arrest volgt, in lijn met de wetsgeschiedenis en de door de A-G geschetste stand van literatuur en feitenrechtspraak, dat de Hoge Raad bevestigt dat bij aansprakelijkheidsverzekeringen de verjaringstermijn van artikel 7:942 lid 1 BW begint te lopen na aansprakelijkstelling van de verzekerde door de benadeelde. Aldus niets nieuws onder de zon. De kwalificatie van correspondentie als eventuele aansprakelijkstelling blijft beslissend voor de vraag wanneer de driejaarstermijn aanvangt.


Nieuwsbrief

Altijd up to date?

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Schrijf je in!

Scroll naar boven