Home Mishandeling zzp’er tijdens schilderwerkzaamheden: is de opdrachtgever aansprakelijk?

KBS

Mishandeling zzp’er tijdens schilderwerkzaamheden: is de opdrachtgever aansprakelijk?

Rechtbank Oost-Brabant 17 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5827

Een ZZP’er, schilder van beroep, wordt tijdens schilderwerkzaamheden aan een nieuwbouwwoning aangevallen door een bewoonster. De mishandeling levert niet alleen een onrechtmatige daad op door de bewoonster, maar schept volgens de rechtbank ook werkgeversaansprakelijkheid van de twee partijen in de keten boven de zzp’er op grond van art. 7:658 lid 4 BW.

Feiten in vogelvlucht
De schilder werkte als zelfstandige regelmatig voor een schildersbedrijf dat op zijn beurt als onderaannemer was ingeschakeld door de uitvoerder van een nieuwbouwproject. Die laatste was weer ingeschakeld door de in deze zaak buiten schot gebleven hoofdaannemer. Op 6 juni 2023 kreeg de schilder de opdracht van de onderaannemer om een aantal kozijnen te schilderen bij een eerder die dag door de uitvoerder opgeleverde woning, nadat de bewoners hadden geklaagd over het schilderwerk.

Bij aankomst werd de schilder direct onvriendelijk benaderd door de bewoners. Waar hij opdracht had gekregen om enkele kozijnen te schilderen, bleken de bewoners er vanuit te gaan dat hij veel meer schilderwerkzaamheden zou verrichten. De situatie escaleerde en de schilder werd door de bewoonster gegrepen en de woning uitgeduwd. Hij liep daardoor lichamelijk letsel en PTSS op.

De schilder stelde zowel bewoonster als de onderaannemer en uitvoerder en hun verzekeraars aansprakelijk. De bewoonster reageerde niet, terwijl de verzekeraars in kwestie, ASR en Achmea, namens hun verzekerden aansprakelijkheid afwezen. Daarop volgde dit deelgeschil bij de Rechtbank Oost-Brabant.

Toepassing van art. 7:658 lid 4 BW
Aan zijn verzoek heeft de schilder art. 6:162 BW jegens de bewoonster en tijdens de mondelinge behandeling ook jegens de onderaannemer en art. 7:658 lid 4 BW jegens de onderaannemer en uitvoerder ten grondslag gelegd.

De rechtbank beoordeelt eerst de aansprakelijkheid van de onderaannemer en uitvoerder op grond van art. 7:658 BW en past de criteria toe uit HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0616 (Davelaar/Allspan). Hij onderzoekt aldus (1) of de werkzaamheden plaatsvonden “in de uitoefening van diens beroep of bedrijf” van de onderaannemer en uitvoerder en (2) of de schilder voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk was van hen.

De rechtbank beantwoordt de eerste vraag – of de werkzaamheden plaatsvonden in de uitoefening van het bedrijf – bevestigend.

Ter zake de tweede vraag stelt de rechtbank vast dat zowel de onderaannemer als uitvoerder wisten van eerdere problemen op het adres, met verbale agressie tegenover schilders, die daardoor niet meer teruggingen of terug mochten komen en richting installateurs, die enkel nog met twee man de woning wilde betreden, omdat ze niet alleen geconfronteerd wilde worden met de bewoonster. Toch werd de schilder daarover niet ingelicht. Hij werd alleen en onvoorbereid naar het werkadres gestuurd, terwijl hij voor de zorg voor zijn veiligheid daar (mede) afhankelijk was van de informatie van de onderaannemer en uitvoerder, aldus de rechtbank. De rechtbank overweegt daarover als volgt:

“Het moge zo zijn dat de aard van de te verrichten werkzaamheden op zichzelf bezien niet gevaarzettend was, de feitelijke (al gebrouilleerde) verhouding tussen betrokkenen, waarvan [verzoeker] geen weet had, was dat in potentie wél. Die situatie had direct invloed op de werkomstandigheden van degene die op het adres van [verweerder 5] (alsnog) de herstelwerkzaamheden moest verrichten en daarmee (dus) ook op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s.”

Aldus was de schilder voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk van de onderaannemer en uitvoerder en beantwoordt de rechtbank ook de tweede vraag bevestigend. Dit betekent dat art. 7:658 lid 4 BW volgens de rechtbank op de relatie van partijen van toepassing is.

Schending van de zorgplicht
De rechtbank stelt voorop dat de invulling van de zorgplicht van een werkgever afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij, naast het geschreven recht, de Kelderluik-factoren richtinggevend zijn. De rechtbank benadrukt dat bij het beantwoorden van de vraag of (en welke) maatregelen een werkgever moet nemen om werknemers te beschermen tegen geweld door derden, doorgaans veel gewicht toekomt aan de voorzienbaarheid van geweldsincidenten.

In dit geval ging het om regulier schilderwerk, waarbij niet een inherent gevaar bestaat voor geweldpleging. Echter, het betrof in dit specifieke geval, vanwege de eerdere incidenten, een scenario waarmee rekening moest worden gehouden en dat dus voorzienbaar was, terwijl de gevolgen van een confrontatie met geweld op de werkvloer voor werknemers over het algemeen ingrijpend zijn. Tegen die achtergrond mocht van zowel de onderaannemer als uitvoerder onder meer worden verwacht dat ze de schilder hadden gewaarschuwd en duidelijke instructies hadden gegeven. Dat hebben ze nagelaten. De rechtbank achtte dat nalaten verwijtbaar en concludeerde dat beide bedrijven hun zorgplicht hadden geschonden.

Causaal verband tussen zorgplichtschending en schade
De rechtbank acht aannemelijk dat de schilder, àls hij vooraf volledig was geïnformeerd en àls de opdracht (toch) had aangenomen, een escalatie (althans een escalatie van deze ernst) had kunnen voorkomen. Of het geweldsincident dan daadwerkelijk was voorkomen, kan achteraf niet met zekerheid worden vastgesteld, maar het kan evenmin worden uitgesloten. Dat is volgens de rechtbank afhankelijk van te veel verschillende onzekere factoren. Nu het bewijsrisico op de onderaannemer en uitvoerder rust, welk bewijs volgens de rechtbank niet door hen is geleverd, slaagt het beroep op het ontbreken van het causaal verband tussen de schade en de schending van de zorgplicht niet.

Onrechtmatige daad van de bewoonster
Ten aanzien van de bewoonster zelf is de zaak duidelijker. Haar verweer dat zij de schilder slechts “een duw” gaf, vond geen steun in de getuigenverklaringen. Twee onafhankelijke dakdekkers zagen dat zij op zijn rug sprong en een nekklem aanlegde. De rechtbank achtte daarmee de mishandeling bewezen en veroordeelde haar eveneens op grond van art. 6:162 BW. De schade door fysieke en psychische klachten – waaronder PTSS – was voldoende onderbouwd.

Aansprakelijkheid ASR en Achmea
De aansprakelijkheidsverzekeraars van de onderaannemer en uitvoerder, ASR en Achmea, werden mede aangesproken door de schilder. Omdat zij daartegen geen zelfstandig verweer voerden, verklaarde de rechtbank hen aansprakelijk op grond van art. 7:954 BW.

Conclusie
De rechtbank verklaart de bewoonster, de onderaannemer en de uitvoerder, alsmede hun verzekeraars, hoofdelijk aansprakelijk voor de schade van de schilder.


Nieuwsbrief

Altijd up to date?

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Schrijf je in!

Scroll naar boven