Hoge Raad: aansprakelijkheid indirect bestuurder, beroep op verrekening tussen holding en dochter

26-05-2014

Bij arrest van 23 mei 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1204) heeft de Hoge Raad bevestigd dat een enig indirect bestuurder van een gefailleerde dochtervennootschap aansprakelijk is, wegens benadeling van schuldeisers. De bestuurder in kwestie wist of moest redelijkerwijs begrijpen dat de betalingen door de dochtervennootschap aan de holding tot gevolg zouden hebben dat de dochtervennootschap andere verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade, zodat hem van het bevorderen van die betalingen persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken. De Hoge Raad sluit aan bij zijn arrest van 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen). Wel komt de bestuurder mogelijk een beroep op verrekening toe, ook als de verrekening in de rechtsverhouding tussen de holding en de dochtervennootschap heeft plaatsgevonden.

 

Gelet op de in acht genomen omstandigheden was het niet verrassend dat de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand liet:

(i) de bestuurder had bevorderd dat door de dochtervennootschap vlak voor haar faillissement substantiële betalingen zijn gedaan aan de holding;

(ii) voorafgaand aan en ten tijde van de gewraakte betalingen was sprake van een aanmerkelijk negatief vermogen van de dochtervennootschap;

(iii) crediteuren bleven (goeddeels) onbetaald;

(iv) er waren meldingen aan de fiscus gedaan ter zake van betalingsonmacht met betrekking tot omzet- en loonbelasting;

(v) door de fiscus was beslagleggend opgetreden;

(vi) de bestuurder had de zeggenschap over zowel de dochtervennootschap als de holding

(vii) de bedrijfsvoering van de dochtervennootschap en de holding was in handen van de bestuurder;

(viii) onder al deze omstandigheden doet de door de bestuurder bewerkstelligde (interne) taak- en werkverdeling tussen de holding en de dochtervennootschap niet af aan de onrechtmatigheid van zijn handelwijze.

 

Wel vernietigt de Hoge Raad het oordeel van het hof ter zake de verwerping van het beroep op verrekening. De bestuurder stelde dat een deel van de gevorderde schadevergoeding door verrekening met een vordering van de holding op de dochtervenootschap was voldaan en beriep zich in dit verband op artikel 6:7 lid 2 BW. Volgens art. 6:7 lid 2 BW bevrijdt nakoming door een der schuldenaren (lees: de holding) ook zijn medeschuldenaren (lees: de bestuurder) tegenover de schuldeiser en geldt hetzelfde onder meer wanneer de schuld wordt gedelgd door verrekening. Het hof stond het beroep op verrekening door de bestuurder niet toe, omdat de verrekening had plaatsgevonden binnen de rechtsverhouding tussen de holding en de dochtervennootschap en de holding bovendien geen partij was in de procedure.

 

Het hof had volgens de Hoge Raad echter niet vastgesteld of de holding jegens de curator van de dochtervennootschap een boedelvordering had, en, zo ja, of die boedelvordering is voldaan door middel van verrekening met een vordering van de curator op de holding tot vergoeding van dezelfde schade als de schade waarvan de curator in dit geding vergoeding vordert van de bestuurder. Tegen deze achtergrond is het bestreden oordeel onjuist voor zover het ervan uitgaat dat voor een geslaagd beroep op art. 6:7 lid 2 BW is vereist dat de holding partij is in dit geding, omdat art. 6:7 lid 2 BW een zodanige eis niet stelt.

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Mr. Jim Kluyver

jr.kluyver@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 868