(Hoofd-)inspecteur voor de gezondheidszorg tuchtrechtelijk niet aansprakelijk

28-04-2015

Het Centraal Tuchtcollege – de hoogste rechter in medische tuchtzaken – heeft op 9 april 2015 in de zaak van de oud-neuroloog Jansen Steur een belangrijke uitspraak gedaan over de tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de Inspectie en haar inspecteurs.

 

Het is vaste jurisprudentie dat een in het BIG-register ingeschreven arts die in een andere hoedanigheid optreedt, zoals een bestuurder van een zorg verlenende instelling, tuchtrechtelijk kan worden aangesproken indien dit optreden voldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Dit wordt in de literatuur ook wel het weerslagcriterium genoemd. Het Centraal Tuchtcollege heeft in deze zaak overwogen dat het denkbaar is dat dit criterium ook van toepassing is ten opzichte van het optreden van een (hoofd-)inspecteur voor de gezondheidszorg.

 

De vraag rijst echter, aldus het Centraal Tuchtcollege, of dit valt te verenigen met de bijzondere wettelijke taken en bevoegdheden die de Inspectie en haar inspecteurs hebben ten aanzien van de handhaving van onder meer de wettelijke beroeps- en tuchtnormen en de rol die de Inspectie en haar inspecteurs in dat verband vervullen, dus ook in het tuchtrecht en het tuchtproces. Het Centraal Tuchtcollege heeft in dit verband relevant geacht dat de Inspectie een bestuursorgaan is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat de rechterlijke controle op de wijze waarop de Inspectie in de persoon van haar inspecteurs haar wettelijke taak vervult en bevoegdheden uitoefent op het terrein van de gezondheidszorg, is opgedragen aan de bestuursrechter. Het optreden van de Inspectie wordt door deze rechter getoetst aan de normen van het bestuursrecht en de toepasselijke bijzondere regelgeving op het terrein van de gezondheidszorg, daaronder begrepen de individuele gezondheidszorg. Deze vorm van rechterlijke controle heeft weliswaar niet dezelfde reikwijdte als een toetsing die door de tuchtrechter in het kader van de wet BIG zou worden uitgeoefend, maar die beperking levert onvoldoende grond op om naast de controle door de bestuursrechter het optreden van individuele inspecteurs onderworpen te achten aan toetsing door de tuchtrechter enkel omdat zij in het BIG-register staan geregistreerd.

 

Dit leidt ertoe dat het Centraal Tuchtcollege het optreden van inspecteurs in het kader van hun wettelijke taken uitzondert van de tuchtrechtspraak en in het bijzonder van de tweede tuchtnorm van art. 47 lid 1 wet BIG. Dit is slechts anders wanneer het optreden van een BIG-geregistreerde inspecteur geen verband houdt met de uitoefening van zijn wettelijke taak of bevoegdheid als inspecteur voor de gezondheidszorg.

 

Deze principieel opgezette uitspraak van het Centraal Tuchtcollege brengt met zich dat een klacht bij de medische tuchtrechter ingediend tegen een (hoofd-)inspecteur voor de gezondheidszorg behoudens een zeer beperkte uitzonderingsgrond vrijwel altijd tot niet-ontvankelijkheid zal leiden. Indien een klacht wordt overwogen tegen een (hoofd-)inspecteur die verband houdt met de uitvoering van zijn wettelijke taak en bevoegdheden is de gang naar de bestuursrechter op grond van de Algemene wet bestuursrecht de aangewezen weg. Eventueel kan nog een klacht bij de Nationale Ombudsman worden overwogen.

 

Klik hier voor de uitspraak.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 871