Non-concurrentiebeding maatschapsovereenkomst houdt stand

17-06-2011

Een arts wenst zijn werkzaamheden voort te zetten in een nabijgelegen ziekenhuis. Om die reden verzoekt de arts zijn maatschap hem te ontslaan van zijn verplichtingen uit het overeengekomen non-concurrentiebeding dan wel dit beding om te zetten in een minder vergaand relatiebeding. Partijen komen niet tot overeenstemming. Ook in kort geding krijgt de arts nul op het rekest.

 

Bij toetreding tot de maatschap waren partijen overeengekomen dat het de arts verboden is zich binnen een periode van vijf jaar als mdl-arts te vestigen binnen een straal van 15 km met als middelpunt het ziekenhuis waar de maatschap haar praktijk uitoefent. Tevens was uitdrukkelijk overeengekomen dat het non-concurrentiebeding ook geldt bij opzegging van de maatschap binnen de afgesproken kennismakingsperiode van zeven maanden. Voor het einde van deze periode had de arts de maatschap opgezegd.

 

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de maatschap de arts alleen dan niet aan het non-concurrentiebeding kan houden, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daarvan is volgens de voorzieningenrechter echter geen sprake. Daarvoor acht de rechter het van belang dat partijen hoog opgeleide medische specialisten zijn en willens en wetens een non-concurrentiebeding zijn overeengekomen. Daarnaast is het beding recent overeengekomen en hebben partijen zich hierbij laten bijstaan. Voorts blijkt uit de overeengekomen tekst van het non-concurrentiebeding dat het beding uitdrukkelijk geldt indien tijdens de kennismakingsperiode de overeenkomst wordt opgezegd.

 

Volgens de voorzieningenrechter heeft de maatschap een concreet en te respecteren belang om haar positie te beschermen. Partijen zijn het er over eens zijn dat het niet eenvoudig is om goede mdl-artsen te vinden. De leemte die de arts door vertrek achterlaat is niet eenvoudig op te vullen. Het is niet uit te sluiten dat patiënten de arts naar het andere nabijgelegen ziekenhuis zullen volgen.

 

De argumenten van de arts dat hij in het andere ziekenhuis mensen kent, hij niet hoeft te verhuizen en het werk in het andere ziekenhuis vaktechnisch een grotere uitdaging is, leiden niet tot het oordeel dat het non-concurrentiebeding niet mag worden ingeroepen. Ook het belang van de gezondheidszorg als zodanig in de betreffende regio maakt dat niet anders. Beide partijen hebben dit belang immers niet op de voorgrond geplaatst.

 

De voorzieningenrechter is het wel met de arts eens dat een duur van vijf jaren, gezien de korte duur van de overeenkomst (zeven maanden), relatief lang lijkt. In dit verband refereert de voorzieningenrechter aan “de Mededeling van de Europese Commissie betreffende beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van concentraties”. In deze Mededeling is bepaald dat een duur van maximaal 2 jaar in beginsel als gerechtvaardigd wordt geacht. Een concurrentieverbod van langere duur kan slechts worden gerechtvaardigd in een beperkt aantal omstandigheden.

 

De Mededeling van de Europese Commissie is voor de voorzieningenrechter geen reden het non-concurrentiebeding zoals primair verzocht te schorsen. Wel kan de arts de civiele rechter verzoeken het non-concurrentiebeding in tijd te beperken. Daarvoor zal de arts een bodemprocedure aanhangig moeten maken.

 

Voor de volledige uitspraak, zie Rechtbank Almelo, 31 mei 2011, LJN: BQ6866.

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845