HomeJurisprudentieoverzicht tuchtrecht maart 2022

Jurisprudentieoverzicht tuchtrecht maart 2022

image description

Onjuiste behandeling /onvoldoende zorg

ECLI:NL:TGZCTG:2022:61 
Klacht tegen neuroloog. Rol supervisor en hoofd/regiebehandelaar. Klager heeft in 2017 voor het eerst de polikliniek neurologie van het ziekenhuis waar de neuroloog werkzaam is bezocht met gevoels- en coördinatiestoornissen en het gevoel minder kracht te hebben. Hij is meermalen op consult geweest en door verschillende artsen/arts-assistenten gezien. De neuroloog is hoofd van de afdeling neurologie en als supervisor en regiebehandelaar bij de eerste twee consulten betrokken geweest. Uiteindelijk is in een ander ziekenhuis de diagnose CIDP, een vorm van demyeliniserende polyneuropathie, gesteld. Klager verwijt de neuroloog onder meer dat er onvoldoende lichamelijk onderzoek is gedaan, verkeerde conclusies zijn getrokken en dat er geen goede afstemming is geweest tussen een aantal afdelingen. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt in beroep dat de neuroloog onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn rol als supervisor tevens hoofd/regiebehandelaar bij het tweede consult van klager. De klacht wordt alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard en aan de neuroloog wordt een waarschuwing opgelegd.

Hoofdbehandelaar ook verantwoordelijk voor dossiervoering

ECLI:NL:TGZRZWO:2022:29
Klacht tegen internist, inhoudende dat hij niet heeft toegezien op het zorgvuldig omgaan met het EPD, hij de kritieke toestand van de patiënt niet heeft opgemerkt en is tekortgeschoten in zijn rol als supervisor en opleider. Ook wordt beklaagde verweten dat hij als eindverantwoordelijke op de IC niet het onverwachte en snelle overlijden van de patiënt heeft opgepakt om na te gaan of gedurende de behandeling iets niet goed is verlopen. Tevens zou hij als betrokkene op de IC de casus in de necrologiecommissie mede hebben beoordeeld en daarbij onzorgvuldig hebben gehandeld. Het college is ten aanzien van klachtonderdeel 1 van oordeel dat de verslaglegging te summier is en dat hij als hoofdbehandelaarverantwoordelijk is voor een gedegen dossiervoering. Dit klachtonderdeel is gegrond. De klachtonderdelen 2 t/m 6 worden ongegrond verklaard. Het college acht het, gezien de aard van het gegronde klachtonderdeel, passend het te laten bij de constatering dat sprake is van een verwijt. Daarbij gaat het college uit, mede gelet op wat ter zitting is besproken, dat beklaagde zijn eigen handelen voldoende kritisch tegen het licht heeft gehouden. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat beklaagde ter zitting heeft betoogd zich te hebben voorgenomen extra te letten op een juiste wijze van dossiervoering, ook indien een arts-assistent onder zijn supervisie en verantwoordelijkheid aantekeningen maakt in het dossier. Alle omstandigheden in aanmerking nemend, heeft het college reden om aan te nemen dat het een eenmalig verzuim betreft en legt geen maatregel op.

Zie ook deze blog.

ECLI:NL:TGZRZWO:2022:30
Klacht tegen internist, inhoudende dat hij de kritieke toestand van de patiënt niet heeft opgemerkt, hij niet heeft toegezien op een correcte naleving van de medicatievoorschriften en hij in zijn rol als supervisor tekort is geschoten. Ook heeft hij op geen enkel moment de ernst van de toestand van de patiënt, noch de kans op overlijden, aan patiënt en nabestaanden gecommuniceerd. Tot slot verwijt klager beklaagde dat hij niet het snelle overlijden van de patiënt heeft opgepakt om na te gaan of iets niet goed is verlopen. Het college oordeelt klachtonderdeel 1, 3 en 5 gegrond. Beklaagde had op grond van de SIRS-criteria de (dreigende) sepsis moeten vaststellen, antibiotica moeten voorschrijven en het lactaat moeten bepalen. Alhoewel de klinische indruk het beeld schetste van een adequaat reagerende patiënt, had beklaagde oog moeten hebben voor deze criteria (ongeacht de cardiale voorgeschiedenis van de patiënt), daar er minstens twee van de vier criteria aanwezig waren. Ook in zijn hoedanigheid van eindverantwoordelijke op de afdeling interne geneeskunde en van supervisor had van beklaagde verwacht mogen worden dat hij zich niet enkel had laten leiden door de cardiale voorgeschiedenis van de patiënt, maar dat hij de aanwezige criteria voor een (dreigende) sepsis had moeten opmerken. Door dit na te laten heeft beklaagde de sepsis ook niet in zijn opleidersrol kunnen betrekken. Met betrekking tot klachtonderdeel 2 is het college van oordeel dat beklaagde het toedienen van de antibiotica mocht overlaten aan de assistent en dat hij er vervolgens vanuit mag gaan dat de opdracht wordt uitgevoerd conform de door hem gegeven instructie. Voor wat betreft klachtonderdeel 4 is het college van oordeel dat het dossier blijk geeft van het feit dat de door hem gestelde diagnose en het door gem gevoerde beleid uitvoerig met de familie is besproken. Nu het college klachtonderdeel 1, 3 en 5 gegrond acht legt het de maatregel van waarschuwing op.

ECLI:NL:TGZCTG:2022:44
Klacht tegen verpleegkundige. De verpleegkundige is werkzaam binnen een instelling en tegens werkzaam als systemisch en psychosociaal therapeut. In haar relatie met klaagster is de verpleegkundige opgetreden als therapeut. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij: 1. (privé)gevoelens met klaagster heeft gedeeld, terwijl klaagster nog bezig was met relatietherapie. Klaagster had nooit willen weten dat de verpleegkundige liefdesgevoelens voor haar ex-partner had gekregen. Klaagster vindt dat onprofessioneel en er is geen rekening gehouden met haar kwetsbare psychische aard van zijn; en2. na het ontdekken van haar gevoelens niet meteen de behandeling van klaagster heeft stopgezet, maar zeker nog één therapie aan klaagster heeft gegeven. Klaagster verwijt de verpleegkundige verder (klachtonderdeel 3) dat zij door het gedrag van de verpleegkundige het vertrouwen in de verpleegkundige is verloren en daardoor nu in een burn-out zit. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klachtonderdelen 1. en 3. ongegrond, klachtonderdeel 2. gegrond en heeft aan de verpleegkundige de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klachtonderdeel 1. alsnog gegrond en legt aan de verpleegkundige de maatregel van berisping op. Het Centraal Tuchtcollege overweegt in dit kader dat van de verpleegkundige openheid wordt verwacht, maar uitsluitend voor zover deze openheid de behandeldoelen dient.

ECLI:NL:TGZRAMS:2022:31
Klacht tegen een bedrijfsarts. Klager verwijt de bedrijfsarts 1) het structureel en op onjuiste gronden weigeren zijn medewerking te verlenen aan een second opinion, 2) het geven van advies nadat hij heeft geweigerd klager te onderwerpen aan een inhoudelijk consult en 3) dat hij klager op onheuse en discriminatoire wijze heeft benaderd. De bedrijfsarts heeft de klacht betwist. Wat betreft het eerste klachtonderdeel was er volgens de bedrijfsarts nu geen aanleiding om een second opinion aan te vragen. Het college acht dit klachtonderdeel echter gegrond. Dat een second opinion niet het juiste instrument voor klager zou zijn, of geen zin zou hebben in de ogen van de bedrijfsarts, is onvoldoende om de medewerking aan de second opinion te weigeren. De overige twee klachtonderdelen zijn ook gegrond. Dat klager het consult wilde opnemen, kan geen reden zijn om een inhoudelijk consult niet te laten plaatsvinden. Ook had de bedrijfsarts zich bij een dreigend conflict met klager professioneler moeten opstellen. Wat betreft de op te leggen maatregel overweegt het college onder andere dat de bedrijfsarts eerder een waarschuwing heeft gekregen en er weinig sprake lijkt te zijn van reflectie. Berisping.

COVID-19

ECLI:NL:TGZRSGR:2022:45
Klager is gewond geraakt aan zijn hoofd bij ongeregeldheden tijdens een demonstratie tegen het kabinetsbeleid dat verband houdt met het coronavirus. Klager heeft een klacht ingediend tegen de SEH-arts, omdat zij hem niet wilde behandelen vanwege het niet dragen van een mondkapje. Het College is van oordeel dat zich de situatie voordeed dat beklaagde kon besluiten om geen behandelingsovereenkomst aan te gaan. Zij had daarbij een aanzienlijk belang als bedoeld in de KNMG-richtlijn, gelet op het mondkapjesbeleid van het ziekenhuis dat is bedoeld om (andere) patiënten, bezoekers en mensen die werken in het ziekenhuis te beschermen tegen besmetting met het coronavirus en de weigering van klager om een mondkapje te dragen. Beklaagde heeft onder de gegeven omstandigheden voldoende inzicht gekregen in de medische situatie van klager en een juiste beoordeling gemaakt dat er geen sprake was van een medische noodsituatie. Beklaagde heeft daarom klager de toegang tot het ziekenhuis kunnen ontzeggen zolang hij weigerde een mondkapje te dragen en zij heeft hierbij zorgvuldig gehandeld. Overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond verklaard. Publicatie.

Schending beroepsgeheim

ECLI:NL:TGZRZWO:2022:26
Klacht tegen verpleegkundige GGD over het zonder toestemming van klager geven van inlichtingen aan Veilig Thuis over diens minderjarige kinderen. Formeel is de klacht ongegrond omdat beklaagde op basis van artikel 5.2.6 van de WMO en de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor verpleegkundigen, verzorgenden en verpleegkundig specialisten, versie 2019, inlichtingen mocht geven indien klager op de hoogte was van het verzoek van Veilig Thuis. Inhoudelijk is de mededeling dat vader minder open lijkt te staan voor contact niet feitelijk en nodeloos tendentieus. Geen maatregel omdat beklaagde tevoren advies had gevraagd aan de aandachtsfunctionaris kindermishandeling binnen de GGD en het college ervan uitgaat dat hij er lering uit heeft getrokken.

Onjuiste declaratie en schending beroepsgeheim bij incasso

ECLI:NL:TGZRSGR:2022:51
Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een tandarts. Klaagster verwijt beklaagde dat zij onjuist heeft gefactureerd, ten onrechte vooraf geen prijsopgave heeft overgelegd, ten onrechte privacygegevens heeft overgelegd aan derden, haar beroepsgeheim heeft geschonden en klaagster onheus heeft bejegend. Het College komt tot de conclusie dat de klacht voor wat betreft het opstellen van de factuur, het zonder toestemming verstrekken van privacygevoelige gegevens en het respecteren van haar beroepsgeheim gegrond is en voor het overige ongegrond. Beklaagde heeft het College niet kunnen overtuigen van het juiste gebruik van de codes in het licht van de Regeling mondzorg van de Nederlandse Zorgautoriteit. Uit het medisch dossier wordt evenmin duidelijk dat de codes op juiste wijze zijn gebruikt. Beklaagde, althans de tandartsenpraktijk, heeft het incassobureau een kopie van de patiëntenkaart verstrekt zonder toestemming van klaagster. Het College heeft er begrip voor dat een incassobureau bij een overdracht van een vorderingsrecht over enkele persoonsgegevens moet kunnen beschikken, maar dit hoeft niet de gehele patiëntenkaart (inclusief medische gegevens) te zijn. Klacht deels gegrond verklaard, berisping.

Grensoverschrijdend gedrag

ECLI:NL:TGZRSGR:2022:40
Klacht van de inspectie tegen een verpleegkundig specialist GGZ. De inspectie verwijt verweerder dat hij een seksuele relatie is aangegaan met een van zijn cliënten. Het college stelt vast dat verweerder het aan hem verweten grensoverschrijdend gedrag jegens de cliënte heeft erkend. Het college acht de klacht gegrond en legt een voorwaardelijke schorsing op. Hoewel verweerder heeft erkend dat hij onjuist heeft gehandeld, is het college er onvoldoende van overtuigd dat verweerder ook volledig inzicht heeft ten aanzien van het kennen en bewaken van de professionele grenzen in de patiënt-zorgverlener relatie. Ook stelt verweerder zich nog onvoldoende transparant en toetsbaar op. Publicatie.

Onjuiste verklaring of rapport

ECLI:NL:TGZRZWO:2022:23
Klaagster heeft een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis, inhoudende dat haar moeder emotioneel mishandeld werd door andere familieleden. Naar aanleiding van de melding is door een onderzoeker van Veilig Thuis onderzoek gedaan naar de situatie van moeder. Beklaagde, gz-psycholoog, heeft tweemaal deelgenomen aan een MDO. Gedurende het onderzoek is het perspectief gekanteld in die zin dat het onderzoek zich ging richten op de rol van klaagster. Beklaagde heeft samen met onderzoekster het aanvankelijke plan van aanpak besproken en is bij het MDO van 9 november 2020 door onderzoekster op de hoogte gesteld van haar conclusies. In haar consulterende en adviserende rol had beklaagde onderzoekster erop moeten wijzen dat het perspectief van het onderzoek was gewijzigd met alle gevolgen van dien. Dat heeft zij niet gedaan. Zij had met de onderzoekster moeten bekijken of het oorspronkelijk gemaakte plan van aanpak diende te worden herzien en/of (nog) niet uitgevoerde stappen alsnog hadden moeten worden uitgevoerd. Beklaagde had voorts niet akkoord mogen gaan met het rapport van onderzoekster, ook niet als concept-rapportage. Beklaagde had onderzoekster erop moeten wijzen dat zij klaagster op de hoogte had moeten brengen van de verdenkingen jegens klaagster en de uitlatingen van haar familieleden en instanties. Zij had onderzoekster er daarbij ook op moeten wijzen dat zij klaagster in de gelegenheid diende te stellen haar kant van het verhaal te laten horen en dat pas hierna een (eind)conclusie mogelijk was. Beklaagde is voorts (mede-)verantwoordelijk voor het delen van het integrale rapport met instanties en betrokkenen, zonder dat er een afweging is gemaakt van het daarmee gediende belang en het belang van privacy van klaagster. Klacht gegrond, volgt berisping.

ECLI:NL:TGZRSGR:2022:50
Gegronde klacht tegen een tandarts. Beklaagde heeft in het kader van een aansprakelijkheidskwestie een rapport opgesteld over het handelen van een andere tandarts en een kaakchirurg. Klaagster verwijt beklaagde dat haar rapport onzorgvuldig en ondeskundig is. Zij is het niet eens met de conclusie van het rapport. Het college komt tot het oordeel dat het rapport niet voldoet aan de eisen zoals vastgesteld in jurisprudentie van het CTG. Het rapport voldoet niet aan het criterium dat over de deskundigheid van de rapporteur gaat. Ook heeft beklaagde in het rapport niet benoemd welke bronnen zij heeft geraadpleegd. Dat de conclusies van het rapport inhoudelijk onjuist of onverdedigbaar zouden zijn, heeft het college – mede in het licht van de terughoudende toets die op dit punt moet worden aangelegd – niet kunnen vaststellen. Klacht gegrond verklaard, waarschuwing.

ECLI:NL:TGZRSGR:2022:47
Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een psychiater. Klagers zijn de pleegouders van twee minderjarigen. De psychiater heeft een second opinion uitgevoerd naar de mogelijkheid tot terugplaatsing bij de moeder, of netwerkplaatsing bij de oma. De pleegouders verwijten beklaagde dat zij– zonder hun toestemming – informatie heeft opgenomen in haar rapport en dat zij het rapport zonder voorafgaande inzage vervolgens heeft verspreid. Het college overweegt dat de pleegouders geen correctie-/of inzagerecht hadden in het gehele rapport en dat beklaagde de onderdelen uit het rapport die de pleegouders aangingen (en ten aanzien waarvan zij deze rechten dus wél hadden), aan hen ter inzage en correctie heeft voorgelegd. De reactietermijn van één (weekend)dag acht het college echter niet voldoende. Pleegouders verwijten beklaagde voorts dat zij in haar rapportage niet-onderbouwde uitspraken heeft gedaan over de affectieve capaciteiten van de pleegouders en over de veiligheid van de minderjarigen in het pleeggezin. Het college is van oordeel dat beklaagde buiten de onderzoeksvraag is getreden. Overige klachtonderdelen (over volgen meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en informatievoorziening aan de pleegouders) zijn ongegrond. Klacht gedeeltelijk gegrond verklaard, waarschuwing.

Maatregel

ECLI:NL:TGZCTG:2022:48
Klacht tegen verpleegkundige. Klager is de vader van een zoon die al meer dan elf jaar uit huis is geplaatst. Klager is er op enig moment op geattendeerd dat in zijn woonplaats iemand (de verpleegkundige) actief is die het voor elkaar kon krijgen dat uit huis geplaatste kinderen weer thuis komen wonen. De verpleegkundige heeft klager twee keer thuis bezocht en een hulpverleningsplan opgesteld. Klager heeft dit plan naar jeugdzorg gestuurd, waarna hem werd geantwoord dat de rechter een beslissing heeft gegeven en dat jeugdzorg zich daaraan houdt. Klager verwijt de verpleegkundige dat zij:a. valse illusies maakt door te stellen dat zij deskundig is, dat zij verpleegkundige en EMDR-therapeut is en dat zij met zaken komt die kant noch wal raken;b. meent deskundig te zijn op gebieden die niets met verpleegkunde te maken hebben, zoals de bevoegdheid een indicatie te geven op pedagogisch/psychologisch gebied;c. haar registratie als verpleegkundige misbruikt. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht gegrond en legt aan de verpleegkundige de maatregel van berisping op. Het Regionaal Tuchtcollege is verder van oordeel dat patiënten/cliënten hiervan op de hoogte moeten kunnen raken om te voorkomen dat nog meer wanhopige ouders de dupe worden van de onprofessionele zorgverlening van verweerster. Daarom oordeelt het college dat het belang van de individuele gezondheidszorg vordert dat deze maatregel (met vermelding van de naam van verweerster en de plaats waar zij werkzaam is) openbaar wordt gemaakt met de gronden waarop zij berust, zoals bedoeld in artikel 48, elfde lid, in verbinding met artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, en zevende lid en artikel 11 Wet BIG. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van de verpleegkundige, maar laat de openbare niet-geanonimiseerde publicatie van de beslissing vervallen.

Zie ook deze blog.

Ontvankelijkheid

ECLI:NL:TGZRZWO:2022:21
Klachten tegen drie artsen. Klaagsters klagen over de wijze waarop de artsen hun tante (patiënte), die in 2020 is overleden, in haar laatste levensfase hebben behandeld. Vast staat dat patiënte het indienen en de behandeling van deze klachten niet zou hebben gewild. Het college verklaart klaagsters om die reden niet-ontvankelijk in hun klachten.

ECLI:NL:TGZRZWO:2022:22
Klacht tegen verpleegkundige. Klaagsters dienen een klacht in over de behandeling van hun in 2020 overleden tante (patiënte) en ook over hoe zij zelf door de verpleegkundige zijn bejegend. Aangezien vaststaat dat patiënte niet had gewild dat er over de behandeling zou worden geklaagd, verklaart het college klaagsters niet-ontvankelijk voor zover de klacht daarop betrekking heeft. Wat betreft de wijze waarop klaagsters zijn bejegend door de verpleegkundige deelt het college de verwijten niet. Dat deel van de klacht verklaart het college ongegrond.

ECLI:NL:TGZRAMS:2022:32
Klacht tegen een kinderarts-nefroloog. De kinderarts is de behandelaar van de zoon van klager. Klager klaagt over de onvoldoende inzet van de kinderarts voor haar patiënt en over de wijze waarop zij klager (niet) bij de behandeling van zijn zoon betrekt. Het college komt tot de volgende conclusie. Voor zover klager namens zijn zoon klaagt, wordt hij niet-ontvankelijk verklaard. De zoon was op het moment van indiening van de klacht 17 jaar oud en was zelf bevoegd tot het indienen van een klacht. Een machtiging van zoon ontbreekt. De klacht wordt voor het overige kennelijk ongegrond verklaard. Uit het verweer – dat onweersproken is gebleven – rijst het beeld op van een betrokken kinderarts, die zich begaan toon met het wel en wee van haar patiënt en zich ervoor inspant om de steun van beide ouders voor hun zoon te verkrijgen en te behouden.

ECLI:NL:TGZRAMS:2022:29
Voorzittersbeslissing. Klacht tegen een psychiater, tevens psychotherapeut. Klager was naast collega ook de direct leidinggevende van verweerster. Verweerster heeft, na een eigen onderzoek te hebben uitgevoerd, een melding gedaan bij hun werkgever over de dossiervoering en het declaratiegedrag van klager. Klager verwijt verweerster dat zij met haar onderzoek onbevoegd medische dossiers heeft ingezien van patiënten met wie zij geen behandelrelatie had, zij geen toestemming heeft gevraagd aan klager om de dossiers in te zien en dat zij heeft geweigerd in gesprek te gaan met klager over de melding. Om als rechtstreeks belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, dient klager als collega een concreet eigen belang te hebben dat verband houdt met de individuele gezondheidszorg. Klager heeft dat belang onvoldoende gesteld. Klacht kennelijk niet-ontvankelijk.

ECLI:NL:TGZCTG:2022:53
Klacht tegen verpleegkundige. Klager is de zoon van wijlen patiënte. Patiënte is na een hersenbloeding opgenomen geweest in het ziekenhuis en overgeplaatst naar het verpleeghuis waar de verpleegkundige destijds werkzaam was als locatiemanager. Als gevolg van de hersenbloeding was het niet meer mogelijk om met patiënte te spreken en werd er een curator benoemd. Klager had de wens om patiënte terug te laten keren naar haar land van herkomst om haar daar te laten verzorgen. In de periode tussen mei 2018 en september 2019 hebben gesprekken plaatsgevonden om te onderzoeken wat er nodig zou zijn om dit te realiseren. Uiteindelijk is patiënte in oktober 2020 komen te overlijden. Klager verwijt de verpleegkundige dat hij de afspraak om zijn moeder terug te laten gaan naar haar land van herkomst niet is nagekomen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht.  Naar het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege kan niet worden gezegd dat verweerder werkzaamheden of handelingen heeft verricht die liggen op het specifieke deskundigheidsgebied dat bij zijn BIG-registratie als verpleegkundige hoort. Het handelen van verweerder als locatiemanager kan naar het oordeel van de voorzitter niet worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

vorige overzicht

Meer weten over tuchtrecht?

Neem gerust contact met ons op!

Nieuwsbrief

Altijd up to date?

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Schrijf je in!
  • Wanneer je op aanmelden drukt ga je akkoord met ons Privacy Statement.