HomePatstelling binnen onderneming doorbroken met schorsing bestuurder

Patstelling binnen onderneming doorbroken met schorsing bestuurder

image description

Recent is door de Rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2019:887) een passende oplossing gevonden voor een patstelling in een onderneming met twee aandeelhouders tevens bestuurders, die elk 50% van de aandelen in de onderneming bezitten. De onderneming dreigde aan de patstelling ten onder te gaan.

Beide bestuurders hadden zichzelf bij de oprichting een bescheiden salaris toegekend maar gaandeweg ontstond ruimte voor een maandelijkse bevoorschotting op dividend. Eén van de bestuurders beheerde de administratie en begon een steeds meer ruimhartige bevoorschotting uit te keren, waardoor de gewone handelscrediteuren niet meer op tijd konden worden betaald. Zelfs het volledige loon van het personeel werd op enig moment niet voldaan. Ondanks herhaald bezwaar van de andere bestuurder bleef zijn medebestuurder diens eigen maandelijkse voorschot maar opnemen. Zo kon het gebeuren dat de 50% aandeelhouder zijn mede aandeelhouder en medebestuurder in kort geding dagvaardde.

Normaal gesproken is de goedwillende bestuurder in zo’n situatie aangewezen op een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam. Dat is een redelijk intensief proces met de nodige (onvoorspelbare) kosten en soms een ongewisse uitkomst. Die uitkomst is in de regel afhankelijk van het door een derde uit te voeren onderzoek naar de gang van zaken binnen de onderneming. De verzoekende partij zal de onderzoekskosten moeten voorschieten.

Als uit de onderzoeksrapportage blijkt dat van wanbeleid sprake is, kunnen de nodige vergaande maatregelen in de onderneming door de Ondernemingskamer worden genomen. Schorsing of vernietiging van bepaalde besluiten is mogelijk of schorsing of ontslag van een bestuurder dan wel een tijdelijke aanstelling van een nieuwe bestuurder of zelfs een tijdelijke overdracht van een aandelenpakket.

Het enquêterecht bepaalt dat dergelijke voorzieningen ook kunnen worden gevraagd voor de duur van het onderzoek. De wet gaat ervan uit dat zulke voorlopige voorzieningen bij dezelfde Ondernemingskamer worden gevraagd, die dus ook over de uiteindelijke hoofdzaak moet beslissen. Dat bergt de nodige procesrisico’s in zich. Er is dan meer één instantie die zowel over de voorlopige als over de definitieve maatregelen beslist.

In de onderhavige zaak werd voor een kort geding gekozen bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam om de van wanbeleid betichte bestuurder te kunnen schorsen, zonder een enquêteprocedure te starten.

Zonder zich uit te spreken over wanbeleid kon de voorzieningenrechter in kort geding tot schorsing overgaan op grond van de zwaarwegende reden, dat van de vennootschap in redelijkheid niet kan worden gevergd dat de bestuurder nog langer zijn taken uitoefent. De vennootschap en degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie zijn betrokken, moeten zich jegens elkaar gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (art. 2:8 BW) en dat deed de gewraakte bestuurder niet.

Wel stelde de voorzieningenrechter de schorsingsmaatregel afhankelijk van het instellen van een enquêteprocedure binnen drie maanden na het vonnis.

Het vonnis is uitgebreid gemotiveerd en helder. Waarschijnlijk is het niet nodig een enquêteprocedure te starten en zal de betrokken bestuurder op basis van de uitspraak met een meer bescheiden rol binnen de onderneming genoegen willen nemen. Het kort geding werd tevens benut om de goedwillende bestuurder te voorzien van de nodige (digitale) documentatie van de onderneming om de bestuursrol van zijn collega over te kunnen nemen.

Nieuwsbrief

Altijd up to date?

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Schrijf je in!
  • Wanneer je op aanmelden drukt ga je akkoord met ons Privacy Statement.