Rechtsgeldige beëindiging van de behandelrelatie wegens onprettige ervaring met patiënt?
Inleiding
Hoewel een patiënt in beginsel een behandelingsovereenkomst altijd kan opzeggen, geldt voor een arts een veel beperktere opzeggingsmogelijkheid. Een arts mag een behandelingsovereenkomst alleen beëindigen als daarvoor gewichtige redenen bestaan (artikel 7:460 BW). De KNMG-richtlijn “Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst” bevat de vijf meest voorkomende gewichtige redenen voor het beëindigen van de behandelingsovereenkomst: (i) het wezenlijk veranderen van de hulpvraag zodat deze de expertise of de mogelijkheid van de arts te buiten gaat, (ii) het vertonen van zeer onheus of agressief gedrag door de patiënt, (iii) een zeer ernstig conflict tussen arts en patiënt en/of weigering van de patiënt om mee te werken aan de behandeling, (iv) een voortdurende weigering van de patiënt tot betaling van de rekening en (v) een aanzienlijk belang van de arts bij het beëindigen van de behandelingsovereenkomst.
Als een arts besluit om de behandelingsovereenkomst wegens een van voornoemde gewichtige redenen te beëindigen, gelden daarbij verschillende belangrijke zorgvuldigheidseisen. Uit de (tucht)rechtspraak volgt dat deze zorgvuldigheidseisen minstens zo belangrijk zijn als het bestaan van de gewichtige reden zelf. Zo moet de arts de patiënt eerst tijdig en herhaaldelijk waarschuwen, onderzoeken of herstel van de behandelrelatie mogelijk is, het beëindigingsbesluit mondeling toelichten en schriftelijk bevestigen, een redelijke beëindigingstermijn hanteren, noodzakelijke hulp blijven verlenen totdat de patiënt elders terechtkan en meewerken aan een goede overdracht naar een andere behandelaar.
Een recente uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam onderstreept nog maar eens dat een arts bij het beëindigen van een behandelingsovereenkomst de geldende zorgvuldigheidseisen moet naleven.
Feiten
In deze tuchtzaak werd een patiënte door haar huisarts verwezen naar een dermatoloog vanwege axillaire hyperhidrosis, oftewel overmatig transpireren onder de oksels. Tijdens het intakeconsult besprak de dermatoloog dat een behandeling met botulinetoxine-injecties mogelijk was en, indien nodig, tweemaal per jaar zou worden herhaald.
Tijdens en na de eerste behandeling heeft patiënte meermaals gevraagd hoeveel eenheden botulinetoxine waren gebruikt. Patiënte is vervolgens, nadat zij de kliniek had verlaten, terug naar binnen gegaan om de verpakking van de gebruikte botulinetoxine mee te nemen. De dermatoloog heeft diezelfde dag in het dossier genoteerd dat patiënte had gevraagd naar de botulinehoeveelheid en dat zij daarnaast een persoonlijke vraag had gesteld over de afkomst van de dermatoloog. De dermatoloog heeft vervolgens aan de huisarts medegedeeld dat patiënte naar haar afkomst had gevraagd en dat zij dat als niet passend binnen de context van het consult had ervaren. Zij vond het geen fijne ervaring en verwees patiënte daarom terug naar de huisarts.
Twee maanden later nam patiënte kennis van een verwijsbrief die in verband met een andere zorgvraag was opgesteld waarin ook haar medische voorgeschiedenis was opgenomen. Door die brief kwam patiënte erachter dat de dermatoloog de behandelrelatie had beëindigd. Zij was daar eerder niet van op de hoogte gebracht.
Patiënte verwijt de dermatoloog (onder meer) dat zij de behandelrelatie eenzijdig heeft beëindigd.
Oordeel
In haar verweer op de klacht van patiënte heeft de dermatoloog aangevoerd dat geen sprake was van beëindiging van de behandelrelatie maar van de aanzegging dat zij, indien een tweede vervolgbehandeling noodzakelijk zou blijken, geen nieuwe behandelovereenkomst met patiënte zou aangaan. De dermatoloog erkende dat zij patiënte hierover had moeten informeren.
Het Tuchtcollege overweegt in zijn oordeel dat de dermatoloog patiënte vier dagen na de eerste behandeling heeft terugverwezen naar de huisarts. Daarbij acht het Tuchtcollege van belang dat met patiënte was besproken dat de behandeling zo nodig tweemaal per jaar kon worden uitgevoerd. Tegen die achtergrond is het Tuchtcollege van oordeel dat de dermatoloog feitelijk heeft besloten geen verdere zorg meer aan patiënte te verlenen.
Verder overweegt het Tuchtcollege dat uit het medisch dossier niet blijkt dat sprake is van een gewichtige reden die eenzijdige beëindiging van de behandelrelatie rechtvaardigt, onder verwijzing naar voornoemde KNMG-richtlijn. Ter zitting heeft de dermatoloog nog aanvullende omstandigheden genoemd die maakten dat sprake zou zijn van een gewichtige reden tot opzegging, namelijk dat klaagster de botoxverpakking uit de prullenbak zou hebben gestolen en dat medewerkers aan de balie patiënte als onprettig zouden hebben ervaren. Deze omstandigheden zijn voor het Tuchtcollege echter niet verifieerbaar.
Daar komt bij dat de dermatoloog de zorgvuldigheidseisen die gelden bij het beëindigen van de behandelrelatie niet in acht heeft genomen. Zo heeft de dermatoloog patiënte niet vooraf gewaarschuwd dat beëindiging werd overwogen, is patiënte niet over de beëindiging geïnformeerd en is haar geen redelijke termijn geboden om een andere behandelaar te vinden. Onder deze omstandigheden is het Tuchtcollege van oordeel dat de dermatoloog niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van haar mocht worden verwacht.
Naast dit klachtonderdeel, verklaart het Tuchtcollege enkele andere klachtonderdelen van patiënte gegrond en legt de dermatoloog een voorwaardelijke schorsing op van zes maanden.
Conclusie
De uitspraak bevestigt dat een arts een behandelingsovereenkomst niet lichtvaardig mag beëindigen. Als een arts meent dat voortzetting van de behandelrelatie niet langer mogelijk is, moet de arts kunnen onderbouwen dat daarvoor een gewichtige reden bestaat. Daarnaast moeten de zorgvuldigheidseisen in acht worden genomen, zoals het tijdig informeren van de patiënt, het mondeling toelichten van het besluit en het zorgen voor een zorgvuldige afronding en overdracht. Een onprettige ervaring met of uitlating van een patiënt lijkt in beginsel dan ook niet voldoende om een eenzijdige beëindiging van de behandelrelatie te rechtvaardigen.