(Z)onder voorbehoud?

01-02-2017

Bij het afwikkelen van letselschades is het soms noodzakelijk een voorbehoud te maken voor eventuele toekomstige schade. Dit vraagt, zoals deze uitspraak laat zien, om maatwerk.

 

Wat speelde er? Een eerstejaars student tandheelkunde raakt in 1980 betrokken bij een verkeersongeval. In het kader van de schadeafwikkeling wordt de student onderzocht door een orthopedisch chirurg die een rapport uitbrengt. In de vaststellingsovereenkomst wordt een voorbehoud voor toekomstige schade gemaakt voor het geval blijkt van ‘een belangrijke afwijking ten opzichte van de situatie en de invalidering als beschreven in het rapport van de orthopedisch chirurg’.

 

De student wordt later praktiserend tandarts. In 2007 krijgt de tandarts knieklachten waardoor hij zijn werk niet meer volledig kan uitvoeren. De tandarts meldt zich bij de aansprakelijke verzekeraar en beroept zich op het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst. De verzekeraar stelt dat de vordering van de tandarts is verjaard en ook dat niet is voldaan aan het voorbehoud.

 

De Hoge Raad verwerpt het beroep van de verzekeraar en legt de vaststellingsovereenkomst zo uit dat partijen hebben beoogd om de opeisbaarheid van de vordering afhankelijk te stellen van de opschortende voorwaarde dat de schade waarop het voorbehoud betrekking heeft, optreedt en aan de tandarts bekend is. Nu de schade pas in 2007 bekend werd en de vordering in 2008 is ingesteld, is deze niet verjaard. Verder oordeelt de Hoge Raad dat de huidige afwijking aan de knie van de tandarts bij de schadeafwikkeling destijds niet was voorzien, zodat het voorbehoud kan worden ingeroepen en de verzekeraar ook voor die schade aansprakelijk is.

 

Deze uitspraak laat zien dat het formuleren van voorbehouden bij het afwikkelen van de schade maatwerk is teneinde toekomstige discussies over verjaring en opeisbaarheid te voorkomen.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 871